De zee is zacht van geluiden
en zolang op het dorpsplein de zoon
zijn hoofd op het hakblok legt,
de moeder binnen op zijn doodskist
kaarsen aansteekt, tafel dekt,
zoekt waterig licht de lijkbleke
waterhuid van zee aan de rand
van het dorp, vult de mond zich
met afscheid, voelt het hoofd
zich vallen, valt de bijl niet.
...
The sea is gentle with sounds
and so long as in the village square the son
lays his head on the block,
indoors the mother lights the candles
on his coffin, lays the table,
watery light seeks the corpse-pale skin
of the sea at the village's edge, the mouth
fills with departure, the head
feels itself falling, the axe does not fall.
...
Ik ben uitgevraagd. Vanaf nu ga ik dingen weten.
Vanaf nu is zij geen roos maar julia
en is haar slaap niet de slaap van de dingen.
Vanaf nu kan zij gekend worden, ga ik heel lang
met haar in een huis wonen en haar eten geven,
leer ik haar praten en vertelt zij me hoe het is
terwijl ze steeds verandert. Steeds gebruikt ze andere woorden.
Soms knip ik haar haren. Dan verandert haar hoofd.
Zelf verander ik zo langzaam dat zij niets merkt,
wanneer zij groot is
ben ik altijd al oud en blij geweest.
...
No more questions from me: from now on I am going
to know things. From now on she is not rose but julia
and her sleep is not the sleep of things.
From now on she can be known, I am going to live
a long long time with her in a house and feed her,
teach her to speak and she will tell me how it is
while she is always changing. Always using different words.
Sometimes I cut her hair. Then her head changes.
As for me, I change so slowly she will not notice:
when she is grown up
I will always have been old and happy.
...
Dit is niet op zolder gevonden maar in de grond
van de zaak hetzelfde als spullen die resten
na een moderne dood, verkommerd slap afval
in de handen van de erfgenaam, ik, verzamelaar.
Het is geen verlangen naar iets hogers dat me drijft
naar de diepte, het is klein en schaamteloos, het is kleertjes
die de vuilnisman liet liggen - oneffen plaveisel geworden,
verregend - oprapen om te weten hoe het was.
Het is rotzooien, het verdwijnen achterna, de mensen
van vroeger, brokjes van het denken, volgordes
die tot handelen leidden - het schaven van hout
het knippen van kleertjes - momenten, lang geleden
die er echt zijn geweest en die echt zijn
verdwenen tot iemand ze vasthoudt, terugleest.
...
This was not found in some attic but down
at rock bottom, like things left after
a modern death, limp neglected tat
in the hands of the heir, myself, collector.
It is not a desire for something higher that drives me
into the depths: it is little and insolent, picking up clothes
not worth the dustman's while - turned into uneven
paving, rain-stained - to know what it was like.
It is scrabbling, in pursuit of the vanishing,
the people of the past, shards of thought,
sequences which led to action - planing wood,
snipping out small clothes - moments,
long ago, which really were and were really
vanished till someone grasps them, reads them back.
...
Hij lag op rode rotsen aangespoeld
en droomde dat haar stem hem riep, zand
dat over hem werd uitgestrooid en verwaaide.
De zee legde zich neer aan zijn borst.
Zijn hart was de broedplaats van kleurige
vogels. De wind keerde terug.
Een voor een stegen de vogels op,
ze schreeuwden en vielen omhoog, hulpeloos
werden ze opzij gesmeten.
Zijn hart was een wond, een verlaten kamer
toen ze hem vond, het verschil tussen hem
en de grond was liefde, meer niet.
Ze tilde hem op. Zacht probeerde ze
zijn mond te sluiten. In het schip
probeerde ze zijn mond te sluiten.
Ze zweeg en duwde zijn lippen op elkaar.
Ze zweeg en legde zijn armen om haar hals.
Het lukte. Zijn hoofd ligt op haar schouder.
Hij zwijgt. Ze varen. Ze zijn alles voor elkaar.
...
He lay washed up on red rocks
and dreamed her voice was calling him, sand
scattered over him and blowing away.
The sea lay itself down on his breast.
His heart was the breeding-ground of
colourful birds. The wind came back.
One by one the birds rose up,
they shrieked and fell upwards, helpless,
they were swept aside.
When she found him his heart was a wound,
a deserted chamber, the difference between him
and the ground was love, no more.
She lifted him up. Gently she tried
to close his lips. In the ship
she tried to close his mouth.
She grew silent and pressed his lips together.
She grew silent and laid his arms round her neck.
It worked. His head lies on her shoulder.
He is silent. They set sail. They are everything
to each other.
...
Je loopt op het strand: de zee, de einder,
het geluid dat de kom van de wereld
tot de rand toe vult - nee, kleiner.
Je zet je schoenen in het zand: koeiehuid,
geƫrodeerde bergen, het een laat
een afdruk na in het ander - nee, anders.
Je bent ergens, het doet er niet toe
waar, altijd aan een rand, dit keer tussen
land en water, het gaat over nu - nee
je ligt op je buik. Zand zingt zich voort
zoals water, geribd. Je kiest de kleinste rib.
Berg. Je kiest de kleinste korrel. Aarde.
...
You're walking on the beach: the sea, the horizon,
the sound that fills the bowl of the earth
up to the rim - no, smaller.
You set your shoes in the sand, cowhide,
eroded mountains, the one leaves an impression
behind on the other - no, different.
You're somewhere, it doesn't matter where,
always on the edge, this time between
land and water, it is about now - no,
you're lying on your belly. Sand sings itself onwards,
like water, ribbed. You choose the smallest rib.
Mountain. You choose the smallest grain. Earth.
...