Jan Jacob Slauerhoff

Jan Jacob Slauerhoff Poems

Ik leefde lang op de verlaten plaatsen
Waar blanken niet dan noodgedwongen komen,
Aan smalle oeverzoom van breede stroomen
Die niet dan 't groen van 't woudgewelf weerkaatsen.

Als hoofd van een kolonie van melaatschen
Heb ik een zwarte nimf tot vrouw genomen,
Loop haast niet meer, maar rijd soms in mijn droomen
Veerkrachtig met een Friesche faem op schaatsen.

Er is hier niets meer dat mijn leven stoort,
Hetzij de plaag van mieren en muskieten
En soms de vage haat aan 't vaderland,

Spijt dat ik onheil stichtte maar geen brand,
Dat ik gemarteld heb en niet gemoord;
Maar verder kan ik 't leven zeer genieten.
...

I've lived for years in desolate places
Where white men only in extremis go,
On narrow strips past which broad rivers flow,
Reflecting only the jungle's green spaces.

In charge of lepers with ravaged faces,
I've married a black beauty, though
I can scarcely walk; I dream occasionally:
Skate lithely with Frisian lovers through snow.

There's nothing more here to disturb my life
But plagues of mosquitoes and bugs in the plants
And sometimes vague hate for my native shires,

Regret I made mischief, but started no fires
That I tortured them, but spared them the knife;
Apart from that, though, I relish life's brief dance
...

Door vijanden omringd,
Door vrienden in den nood
Geschuwd als aas dat stinkt,
Houd ik mij lachend groot,
Al is mijn ziel verminkt,
Mijn lijf voor driekwart dood.

In 't leven was geen dag
Ooit zonder tegenspoed.
Ik leed kwaad en deed goed;
Dat is een hard gelag.
Nu, in verloren slag,
Strijd ik met starren moed.

Bedekt met sneeuw en ijs,
Getooid door menig lijk
Van wie de dwaze reis
Deed naar mijn innerlijk,
Eens vroeg licht als Parijs
Nu 't poolgebied gelijk.

Ik laat geen gaven na,
Verniel wat ik volbracht;
Ik vraag om geen gena,
Vloek voor- en nageslacht;
Zij liggen waar ik sta,
Lachend den dood verwacht.

Ik deins niet voor de grens,
Nam afscheid van geen mensch,
Toch heb ik nog een wensch,
Dat men mij na zal geven:
‘Het goede deed hij slecht,
Beleed het kwaad oprecht,
Hij stierf in het gevecht,
Hij leidde recht en slecht
Een onverdraagzaam leven.'
...

By enemies hemmed in,
With ‘friends in need' who've fled
Rank meat that stinks like sin,
I laugh, toss back my head,
Though torn to shreds within,
My body all but dead.

Each day my life was crossed
By new adversity.
Good reaped iniquity;
I paid a heavy cost,
But now the battle's lost
I fight on doggedly.

Snow, ice envelop me,
The bodies are piled high
Of those who crazily
Pursued my inner ‘I',
Once bright as ‘gay Paree',
Now polar, frozen, dry.

I leave no last bequest,
Smash life's work at a stroke;
No mercy I request,
Curse past and future folk;
Stand tall where they now rest,
And treat death as a joke.

I look fate in the eye,
Have said not one goodbye,
But want men when I die
To say just this of me:
‘He did good very ill,
Served bad with honest will,
Succumbed while battling still,
Undaunted, lived his fill,
Intolerant and free.'
...

In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er steeds zijn lusten reven,
Ter wille van de goede buren,
Die gretig door elk gaatje gluren.
'k Ga liever leven in de steppen,
Waar men geen last heeft van zijn naasten:
Om 't krijschen van mijn lust zal zich geen reiger reppen,
Geen vos zijn tred verhaasten.

In Nederland wil ik niet sterven,
En in de natte grond bederven
Waarop men nimmer heeft geleefd.
Dan blijf ik liever hunkrend zwerven
En kom terecht bij de nomaden.
Mijn landgenooten smaden mij: ‘Hij is mislukt.'
Ja, dat ik hen niet meer kon schaden,
Heeft mij in vrijheid nog te vaak bedrukt.

In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er altijd naar iets streven,
Om 't welzijn van zijn medemenschen denken.
In het geniep slechts mag men krenken,
Maar niet een facie ranslen dat het knalt,
Alleen omdat die trek mij niet bevalt.
Iemand mishandlen zonder reden
Getuigt van tuchtelooze zeden.

Ik wil niet in die smalle huizen wonen,
Die Leelijkheid in steden en in dorpen
Bij duizendtallen heeft geworpen…
Daar loopen allen met een stijve boord
- Uit stijlgevoel niet, om te toonen
Dat men wel weet hoe het behoort -
Des Zondags om elkaar te groeten
De straten door in zwarte stoeten.

In Nederland wil ik niet blijven,
Ik zou dichtgroeien en verstijven.
Het gaat mij daar te kalm, te deftig,
Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig,
En danst nooit op het slappe koord.
Wel worden weerloozen gekweld,
Nooit wordt zoo'n plompe boerenkop gesneld,
En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord.
...

Holland's no place for me to live,
Raw passion there they can't forgive.
Whatever would the neighbours think
Who peer and pant through every chink?
Give me the steppes, the open skies,
Where fellow-men don't spoil one's day:
No heron will flee my lusty cries,
No vixen start and scoot away.

Holland's no place for me to die,
Rotting in soggy ground to lie
Where one has never really lived.
Rather roam, longing, low and high,
The company of nomads keep.
‘He's failed,' my smug compatriots sneer.
It's true, I wish I'd cut more deep;
That's cost this free man very dear.

Holland's no place for me to live,
Your life to chasing goals you give,
Thinking of others constantly.
I must hurt only furtively,
Never thump someone's ugly face
When I can't stand their damned grimace.
Attacking people without a cause
Shows disrespect for moral laws.

In poky houses I'll not live
Which Ugliness spawned on this shore
In towns and villages galore.
All walk stiff-collared, in black droves
- Not stylishly, but just to give
The feeling they know what behoves.
Each citizen the other greets,
Parading through the Sunday streets.

Holland's no place for me to bide,
I'd ossify, seize up inside.
There life's too stolid, too sedate,
Men weigh their words, dispassionate.
They'd never stick their own necks out,
The helpless, though, they single out.
No shrunken yokel's head's found this far north,
No glorious crime of passion ever blazes forth.
...

Gods kind had blokken in zijn boezelaar,
Waarmee het in de wolken had gespeeld.
Maar toen zij op wou bergen, moe, verveeld,
Zag ze in de doos en wist niet hoe ze daar

In passen moesten, keurig ingedeeld.
Want God was streng, maar sliep - dus geen gevaar.
Zij liet ze vallen, zag er niet meer naar
Om en ging vlug naar een mooi engelbeeld.

De blokken vielen door een leeg heelal
En kwamen op een leege wereld, waar
Ze bleven zooals ze er heen geworpen.

De meeste sprongen stuk tot berg en dal;
En die heel bleven vormden hier en daar
De groote steden en de kleine dorpen.
...

God's daughter in her pinafore kept blocks,
With which up in the clouds she had learned to play.
But when, tired and bored, she put them away
She couldn't fit all of them into the box

In a proper, neatly ordered display.
Now God was asleep, strict and orthodox.
So feeling safe, she dropped them, sly young fox,
Made straight for a fine angel made of clay.

The blocks then tumbled through the cosmic void,
Arriving at an empty planet, where
They stayed right in position as they'd been hurled.

Most fragments as hills and dales were deployed;
The bits that were intact formed here and there
Great cities and small hamlets through the world.
...

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat vóór den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee 'k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.
...

Nowhere but in my poems can I dwell,
Nowhere else could I a shelter find;
No love of home preoccupied my mind,
A tent could be uprooted by the gale.

Nowhere but in my poems can I dwell.
While I'm still sure that in the desert bare,
In steppes, in towns or in some wooded vale
A roof can still be found, I have no care.

Though it be long, the day'll dawn without fail
When before eve my former strength declines
And pleads in vain for the frail words and signs
I once built with, and earth will have to keep
Me enveloped and I'll have to bend down deep
To where my grave bursts open, dark and pale.
...

In den ouden koningstuin
Wandlen wij, droef en vermoeid,
Alle beelden werden puin,
Alle rozen uitgeroeid.

En de vijver, stil en grijs,
Ligt als langzaam toegevroren,
Ingestort is het paleis
En de sleutels zijn verloren.

't Paviljoen waar de beminden
Zich voor 't felle licht verscholen,
Ligt met gesloten poort en blinden
Als een lijkenhuis. Wij dolen

Langs de halfverwischte paden,
Rusten op een steenen bank,
Voelen ons door het verleden
Dat ons beschermen kon verraden,
Zoeken bij elkander vrede,
Liefkoozen tegen wil en dank.
...

In the former royal garden
Sad and listless we walk round:
Crumbling statues time won't pardon,
Roses all dug from the ground.

And the pond, so still and grey,
Seems slowly iced over with frost,
The palace has crumbled away,
The keys that gave access are lost.

The pavilion where lovers once fled
To hide from the light's fierce glare,
Has gates locked and blinds drawn instead,
Like a morgue. We wander there

Down paths whose course is obscure,
Resting on a seat's stone shelves,
Feeling ourselves betrayed
By the past where we once felt secure,
Seeking peace in each other's shade,
Caressing in spite of ourselves.
...

Nooit opent zich de poort. 't Raam is zoo hoog
Dat zij eerst de aarde ziet in wijde verte:
De stroom omarmt het bosch in blauwen boog;
Door 't groen gaan roode vogels, ranke herten.

Niets weet zij van het levensspel daartusschen;
Maar het moet schoon zijn, want zij mist het zeer.
Zij wil omhelzen, vindt niets om te kussen
Dan de eigen schouder, rond en koel en teer
...

The gate never opens. The window's so high
That at first panoramas to her appear:
Rivers, blue arcs, embrace woods and flow by;
Red birds traverse the green, and slender deer.

She's no idea of how life's lived below;
It must be splendid, though, so long she's pined.
She wants embraces, but where can kisses go
Save her own shoulder, round and cool and kind?
...

Houd je gedachten af van gedane dingen,
Denken aan 't verleden geeft verdriet en leed.
Houd je gedachten af van komend gebeuren,
Denken aan de toekomst geeft onrust en zorg.
Zit overdag als een zak in je stoel.
Lig des nachts als een steen in je bed.
Open je mond om voedsel te nemen.
Als je slaaprig wordt, doe dan je oogen dicht.


(Po Tsju I)
...

Don't brood on things that are over and done,
Thoughts of the past bring sorrow and pain.
Don't brood on things that are still to come,
Thoughts of the future bring upset and care.
In daytime flop like a sack in your chair.
At night lie there like a stone in your bed.
Open your mouth to take in your food.
If sleep assails you, close your eyes.


(Po Chu I)
...

Gelezen worden ze ontelbre malen,
Al was de inhoud haast vooruit geweten,
Van 't zelfde levensstof in alle talen
En op den duur tot op het woord versleten.

Toch weer ontvouwd, na 't eenzaam avondeten,
Des nachts op wacht, te kooi en na 't verhalen;
Voor hen die zooveel eenzaamheid verbeten
Is uit de letters leeftocht nog te halen.

Tusschen lieve en liefhebbende steeds staat er
Van kroost, huis, dorp en eiland weer 't alleen
Bij trouw, geboorte en dood gevarieerd relaas.

Na tal van reizen is het of een waas
't Bekende aan land omhult, men is alleen
En hoort bij 't schip en houdt het met het water.
...

They're read and read repeatedly,
Though readers sensed already what was there,
Woven of one cloth, whatever tongue it be,
And in the long run all equally threadbare.

Still, unfolded again, after their lonely meals,
At night on watch, in bunks, once tales are told;
For those who've fought their solitary ordeals,
Such characters nourish as they did of old.

Between ‘my dearest' and ‘yours ever' there can be
But one theme - kids, isle, village homes they own -
Which only weddings, births and deaths rephrase.

After so long on board, it seems as if a haze
Shrouds what they know on land, they are alone,
One with the ship, consorting with the sea.
...

Aan de Compagnie de Mozambique
Behoort Beira
En het land daarachter
En ook Manga
En de negers die daar werken
En de heesters in de perken,
Alles hier behoort
Aan de Compagnie de Mozambique.

Ook de dieren die hier leven:
Niet alleen de kreupele ossen
Met hun tsetsevliegen,
Fladderende vogels en onzichtbare insecten
Eveneens.

't Wordt vervelend
Alle op te noemen,
Maar wat zal men anders doen
Als men zit te wachten
Op een bus (ook van de Compagnie)
Die niet komt,
Luisterend naar de karekiet
Die het midden houdt
Met zijn vreemd tweetonig lied
Tusschen nachtegaal en krekel!

(Hierop maakt de Compagnie de Mozambique
Geen aanspraak.)

Ook António Menano,
De befaamde fadozanger
Bij wiens donkere befloerste stem
Alle vrouwen weenen en bezwijmen:
Die al 't leed van Portugal opbeurde,
Ook Menano
Hoort nu toe aan de Compagnie de Mozambique.

Acht mijl verder
Werkt hij op een onderneming;
Rijk werd hij want ieder wou hem hooren,
Arm werd hij want hij moest spelen en verloor
En natuurlijk speculeerend in aandelen
Van de Compagnie de Mozambique.

Nu is hij voor zeven jaar
Daar verbonden als plantagedokter,
Geeft injecties en beslist
Of een neger die zich heeft vergist
Sterk genoeg is voor de geeseling,
Want de reglementen zijn
Streng en toch humaan
Bij de Compagnie de Mozambique.

Brengen wij het losgeld niet bijeen,
Dat hij weer van droeve zaligheid kan zingen?
Neen.
Ook Menano dronk zich al lang schor
Aan de whisky die, hier ingevoerd
Voor verlaagd tarief,
Wordt verstrekt aan de employé's
Van de Compagnie de Mozambique.
...

The Compagnie de Mozambique
Owns all Beira
And the land beyond
And Manga too
And the blacks who labour there
And bushes planted in beds with care.
It owns everything here
The Compagnie de Mozambique.

The animals living here too:
Not only the shambling oxen
With their tsetse flies,
Fluttering birds and insects one can't see
It owns too.

It grows tiresome
Summing them all up,
But what else is one to do
When one's sitting waiting
For a bus (run by the Compagnie)
That won't come,
Hearing a warbler chirping along,
Like a compromise,
With its funny two-note song,
Twixt nightingale and cricket!

(The Compagnie de Mozambique
lays no claim to it.)

António Menano too,
The famous fado singer
Whose dark and muffled voice
Makes all women weep and swoon:
Who cheered all Portugal's sorrows.
Menano too
Now belongs to the Compagnie de Mozambique.

Eight miles away
He works on a plantation;
He grew rich when all thronged to hear him,
He grew poor when he gambled and lost,
Of course speculating in shares
Of the Compagnie de Mozambique.

He's contracted for seven years
As a doctor on the plantation,
Gives injections and decides
If a black man who's done wrong
Is fit enough to be flogged,
For the regulations
Are strict and yet humane
In the Compagnie de Mozambique.

Shall we give money to buy him out,
So he can sing once more of mournful ecstasy?
No.
Menano long since has drunk himself hoarse
On the whisky that's imported
At a knock-down price
And supplied to the employees
Of the Compagnie de Mozambique.
...

The Best Poem Of Jan Jacob Slauerhoff

RIMBOE

Ik leefde lang op de verlaten plaatsen
Waar blanken niet dan noodgedwongen komen,
Aan smalle oeverzoom van breede stroomen
Die niet dan 't groen van 't woudgewelf weerkaatsen.

Als hoofd van een kolonie van melaatschen
Heb ik een zwarte nimf tot vrouw genomen,
Loop haast niet meer, maar rijd soms in mijn droomen
Veerkrachtig met een Friesche faem op schaatsen.

Er is hier niets meer dat mijn leven stoort,
Hetzij de plaag van mieren en muskieten
En soms de vage haat aan 't vaderland,

Spijt dat ik onheil stichtte maar geen brand,
Dat ik gemarteld heb en niet gemoord;
Maar verder kan ik 't leven zeer genieten.

Jan Jacob Slauerhoff Comments

Close
Error Success