Ik leefde lang op de verlaten plaatsen
Waar blanken niet dan noodgedwongen komen,
Aan smalle oeverzoom van breede stroomen
Die niet dan 't groen van 't woudgewelf weerkaatsen.
Als hoofd van een kolonie van melaatschen
Heb ik een zwarte nimf tot vrouw genomen,
Loop haast niet meer, maar rijd soms in mijn droomen
Veerkrachtig met een Friesche faem op schaatsen.
Er is hier niets meer dat mijn leven stoort,
Hetzij de plaag van mieren en muskieten
En soms de vage haat aan 't vaderland,
Spijt dat ik onheil stichtte maar geen brand,
Dat ik gemarteld heb en niet gemoord;
Maar verder kan ik 't leven zeer genieten.
...
I've lived for years in desolate places
Where white men only in extremis go,
On narrow strips past which broad rivers flow,
Reflecting only the jungle's green spaces.
In charge of lepers with ravaged faces,
I've married a black beauty, though
I can scarcely walk; I dream occasionally:
Skate lithely with Frisian lovers through snow.
There's nothing more here to disturb my life
But plagues of mosquitoes and bugs in the plants
And sometimes vague hate for my native shires,
Regret I made mischief, but started no fires
That I tortured them, but spared them the knife;
Apart from that, though, I relish life's brief dance
...
Door vijanden omringd,
Door vrienden in den nood
Geschuwd als aas dat stinkt,
Houd ik mij lachend groot,
Al is mijn ziel verminkt,
Mijn lijf voor driekwart dood.
In 't leven was geen dag
Ooit zonder tegenspoed.
Ik leed kwaad en deed goed;
Dat is een hard gelag.
Nu, in verloren slag,
Strijd ik met starren moed.
Bedekt met sneeuw en ijs,
Getooid door menig lijk
Van wie de dwaze reis
Deed naar mijn innerlijk,
Eens vroeg licht als Parijs
Nu 't poolgebied gelijk.
Ik laat geen gaven na,
Verniel wat ik volbracht;
Ik vraag om geen gena,
Vloek voor- en nageslacht;
Zij liggen waar ik sta,
Lachend den dood verwacht.
Ik deins niet voor de grens,
Nam afscheid van geen mensch,
Toch heb ik nog een wensch,
Dat men mij na zal geven:
‘Het goede deed hij slecht,
Beleed het kwaad oprecht,
Hij stierf in het gevecht,
Hij leidde recht en slecht
Een onverdraagzaam leven.'
...
By enemies hemmed in,
With ‘friends in need' who've fled
Rank meat that stinks like sin,
I laugh, toss back my head,
Though torn to shreds within,
My body all but dead.
Each day my life was crossed
By new adversity.
Good reaped iniquity;
I paid a heavy cost,
But now the battle's lost
I fight on doggedly.
Snow, ice envelop me,
The bodies are piled high
Of those who crazily
Pursued my inner ‘I',
Once bright as ‘gay Paree',
Now polar, frozen, dry.
I leave no last bequest,
Smash life's work at a stroke;
No mercy I request,
Curse past and future folk;
Stand tall where they now rest,
And treat death as a joke.
I look fate in the eye,
Have said not one goodbye,
But want men when I die
To say just this of me:
‘He did good very ill,
Served bad with honest will,
Succumbed while battling still,
Undaunted, lived his fill,
Intolerant and free.'
...
In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er steeds zijn lusten reven,
Ter wille van de goede buren,
Die gretig door elk gaatje gluren.
'k Ga liever leven in de steppen,
Waar men geen last heeft van zijn naasten:
Om 't krijschen van mijn lust zal zich geen reiger reppen,
Geen vos zijn tred verhaasten.
In Nederland wil ik niet sterven,
En in de natte grond bederven
Waarop men nimmer heeft geleefd.
Dan blijf ik liever hunkrend zwerven
En kom terecht bij de nomaden.
Mijn landgenooten smaden mij: ‘Hij is mislukt.'
Ja, dat ik hen niet meer kon schaden,
Heeft mij in vrijheid nog te vaak bedrukt.
In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er altijd naar iets streven,
Om 't welzijn van zijn medemenschen denken.
In het geniep slechts mag men krenken,
Maar niet een facie ranslen dat het knalt,
Alleen omdat die trek mij niet bevalt.
Iemand mishandlen zonder reden
Getuigt van tuchtelooze zeden.
Ik wil niet in die smalle huizen wonen,
Die Leelijkheid in steden en in dorpen
Bij duizendtallen heeft geworpen…
Daar loopen allen met een stijve boord
- Uit stijlgevoel niet, om te toonen
Dat men wel weet hoe het behoort -
Des Zondags om elkaar te groeten
De straten door in zwarte stoeten.
In Nederland wil ik niet blijven,
Ik zou dichtgroeien en verstijven.
Het gaat mij daar te kalm, te deftig,
Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig,
En danst nooit op het slappe koord.
Wel worden weerloozen gekweld,
Nooit wordt zoo'n plompe boerenkop gesneld,
En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord.
...
Holland's no place for me to live,
Raw passion there they can't forgive.
Whatever would the neighbours think
Who peer and pant through every chink?
Give me the steppes, the open skies,
Where fellow-men don't spoil one's day:
No heron will flee my lusty cries,
No vixen start and scoot away.
Holland's no place for me to die,
Rotting in soggy ground to lie
Where one has never really lived.
Rather roam, longing, low and high,
The company of nomads keep.
‘He's failed,' my smug compatriots sneer.
It's true, I wish I'd cut more deep;
That's cost this free man very dear.
Holland's no place for me to live,
Your life to chasing goals you give,
Thinking of others constantly.
I must hurt only furtively,
Never thump someone's ugly face
When I can't stand their damned grimace.
Attacking people without a cause
Shows disrespect for moral laws.
In poky houses I'll not live
Which Ugliness spawned on this shore
In towns and villages galore.
All walk stiff-collared, in black droves
- Not stylishly, but just to give
The feeling they know what behoves.
Each citizen the other greets,
Parading through the Sunday streets.
Holland's no place for me to bide,
I'd ossify, seize up inside.
There life's too stolid, too sedate,
Men weigh their words, dispassionate.
They'd never stick their own necks out,
The helpless, though, they single out.
No shrunken yokel's head's found this far north,
No glorious crime of passion ever blazes forth.
...
Gods kind had blokken in zijn boezelaar,
Waarmee het in de wolken had gespeeld.
Maar toen zij op wou bergen, moe, verveeld,
Zag ze in de doos en wist niet hoe ze daar
In passen moesten, keurig ingedeeld.
Want God was streng, maar sliep - dus geen gevaar.
Zij liet ze vallen, zag er niet meer naar
Om en ging vlug naar een mooi engelbeeld.
De blokken vielen door een leeg heelal
En kwamen op een leege wereld, waar
Ze bleven zooals ze er heen geworpen.
De meeste sprongen stuk tot berg en dal;
En die heel bleven vormden hier en daar
De groote steden en de kleine dorpen.
...
God's daughter in her pinafore kept blocks,
With which up in the clouds she had learned to play.
But when, tired and bored, she put them away
She couldn't fit all of them into the box
In a proper, neatly ordered display.
Now God was asleep, strict and orthodox.
So feeling safe, she dropped them, sly young fox,
Made straight for a fine angel made of clay.
The blocks then tumbled through the cosmic void,
Arriving at an empty planet, where
They stayed right in position as they'd been hurled.
Most fragments as hills and dales were deployed;
The bits that were intact formed here and there
Great cities and small hamlets through the world.
...
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.
Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat vóór den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee 'k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.
...
Nowhere but in my poems can I dwell,
Nowhere else could I a shelter find;
No love of home preoccupied my mind,
A tent could be uprooted by the gale.
Nowhere but in my poems can I dwell.
While I'm still sure that in the desert bare,
In steppes, in towns or in some wooded vale
A roof can still be found, I have no care.
Though it be long, the day'll dawn without fail
When before eve my former strength declines
And pleads in vain for the frail words and signs
I once built with, and earth will have to keep
Me enveloped and I'll have to bend down deep
To where my grave bursts open, dark and pale.
...