Jacob Groot Poems

Hit Title Date Added
1.
GEOPEND EINDE

Of je alleen bent gaan we dus niet vragen
omdat ik net zo lang wacht tot je het zegt

En dan zeg ik: je bent alleen omdat ik bij je ben
En als je dan zegt dat je het alleen bent als je alleen bent
zeg ik:

juist dan ben je bij me. Overal ter wereld sta ik op

van de steppe, bij het kale licht, in mijn verslaafde
lichaam waaruit ik de geest lostrek tot ik koffie kan

zetten van mijn beenderen, en ik maal verder
tot je me gevonden hebt tussen de honden. Maar

hoor je me klagen dat ik alleen ben? Want ik vind je
in het antwoord
...

2.
OPENED ENDING

Whether you're alone we're not about to ask
because I'll wait as long as it takes for you to say it

And then I'll say: you are alone because I'm with you
And if you then say that's only what you are when you're alone
I'll say:

that's exactly when you're with me. All across the world I stand up

from the steppe, by the bare light, in my addicted
body from which I pull the spirit loose till I can brew

the coffee from my bones, and I keep grinding
till you have found me among the dogs. But

do you hear me complain that I'm alone? For I find you
in the answer
...

3.
VERLOS ME, HET IS ZOVER

Al bereik je de buren niet, zij bereiken
zichzelf door jou via de heg, en de scheiding
tussen de huizen is een vlies
dat trommelt op de muren. Want dat je

gaande, gekomen waar je zegt
dat de stand van zaken een expositie
is, het veld ruimt, het licht
een kraker lijkt, veroordeeld

tot ledebraak, de trap neervalt tot het huis, je
te groot, je niet verlaat maar
als verlaten huis je omringt, dan lieg je
niet maar stoot een ander

wakker in de kamer van de slaap
om waar het proefwerk wacht, met de tafel
verward, te bladeren door de pocket
met de soortnaam Ooievaar

tot Antonin Artaud daarin je ribben
breekt omdat de motor
van Artaud is de rotator
van het kwik in je kop als je, voor het raam

boven de kale tuin, het begrip verliest
van het ik zodra je hem luidop
leest, want hij schrijft je
voor, of hij snijdt je open tot op het bot

en schroeft het deksel van de hel
die jij dan ziet en hij geeft
het door: m'n hol als gat, m'n wrange holle
gat, waarin de kringloop stuk spat

van de rooie luis, de kringloop van de rooie
zonneluis, roomblank in het aderlijke net
van 1 van de twee. Maar hoezo twee? En wie
van de twee? Pappa en mamma kijken beneden

tv. Ben je nou zogenaamd in Mexico met hem
die jou niet kent maar stamelt
met zijn adem in je stem? Droog bloedt
de mat op de vloer om je heen tot ze stinkt

omdat ze balsemt en ze zalft omdat
ze zweet: kaffer van pis
uit de put van een droge kut die schuurt
als je hem erin steekt, pissige kamfer

uit de schat van een dooie kut
die terugslaat als je hem openbreekt, en weer maar
waarom twee? Van wie? De man
die zich kruist (of kruisigt?) en dan bevalt van de zoon

uit de ontucht met zijn eigen
hard geworden reet? Dat zal het zijn. Maal je
vertaald? Je keel beslaat wel degelijk
de ruit. Of weet je niet meer

wat je leest? Of daal je in hem af? Of deel je
hem? Je hamert in het ritme van Artaud
die door je doolt. Dat slaat veel harder
dan The Wandereren liflaf smaakt daarbij

The Peppermint Twist (Sealed with a Kiss), de wee
van lust, zo ramt de voor de loze
rock uitslaande vlam die heeft ontstoken
de sint-vitusdans in alle mannekino's

van de taal die ze op school nog laten doorgaan
voor poëzie. En dit is, weet je
zeker (je mond tegen het valgordijn
over het glas, de letters in je ogen

op de lila lucht, vol van de wolk
die wegschiet boven het kapotte
riet) geen koketterie, hoogstens
een ontsnapping, in een liturgie, uit de fabriek

van de maatschappelijke muziek naar een buitengebied
waar je even langs mag strijken aan de hand
van de daarin gevangen
poète maudit. En die ziet, weet je al, door zijn grote

holle met de olie uit de hoge vol
gegoten ogen, wat jij alleen nog raden
kan maar in een mate die geen angst
behelst en helemaal geen

idioterie want eerder helder in de late
gloed stap je, dwars door je kop hard
op repeatzijn jien cri, samengetrokken tot
ji-ji-cri-cri, diep in zijn rite

van de zwarte zon, die luidt voor jou
verrijzenis omdat je, namens
hem, wat je verlossen wil ontmoet. Zo zal je zijn
wie je verlossing is. Maar jullie leven heet nu voortaan

industrie
...

4.
FLIRT

Om 10 uur meldde ik me bij de poort
van het beloofde land. Om 12 uur doofde
het licht. Om 3 uur greep de terechtstelling
plaats. Daarna werd de boodschap verzonden
dat ik asiel vond
&
vanuit het niets daalde ik neer in
de schoot die Holland heet
en me vertelt, ik ben een hondekont
maar heerlijk
&
ik zoog me vast aan haar motor die me bewoog
door haar wei, kloklozer dan de ruimte
die me rondreed, van de wijzer
uit niet ledig, niet vol, niet onmetelijk, de hare
noch de mijne, niet beperkter tot deze dan

gene, wel onbeschrijfelijker dan ze was door om het even
welk teken onvervangbaar beschreven, her en der
langs haar weg, in haar zon vol stof, op haar kim
die, een vleesmes, sneed door haar koren tot

(1) haar korrels broeiden in haar wonden,
(2) haar roven bloeiden,
(3) haar boer me bemestte,
(4) haar plant me plukte,
(5) haar vrucht me afrukte,
(6) haar lucht me fleste
maar
(7) haar shit me restte
...

5.
FLIRT

At 10 o'clock I reported to the gates
of the promised land. At 12 o'clock the light
went out. At 3 o'clock the execution took
place. Then the message was sent that I
had found asylum
&
out of nothingness I descended into
the lap called Holland
telling me I am a hound
but glorious
&
I sucked myself tightly to her motor that ran
me through her field, more clocklessly than the space
that drove me round, extending from the hand,
neither empty, nor full, nor immense, hers
nor mine, neither more limited to one than

the other, rather more indescribable than she was
irreplaceably described by whichever sign, here and there
along the road, in her sun full of dust, on her horizon
that, a meat knife, cut through her corn until

(1) her grains fermented in her wounds,
(2) her scabs flowered,
(3) her farmer fertilized me,
(4) her plant picked me,
(5) her fruit pulled me,
(6) her air conned me
but
(7) her junk was left to me
...

6.
ZIEN

Zichtbaar te zijn was geen toeverlaat,
het geziene borg niet, het visioen
verbloemde de visie, perspectief trok
als mist het gezichtsveld dicht, en toch

wist je onophoudelijk dat je deel had
aan wat je waarnam, je deelname was
een mededeling, je bericht ontfermde
zich, je aandacht was een zorg over

gebrek eraan, je had geen verlangen
dan te worden verzorgd door waar je
acht op sloeg, je wilde het opmerkelijke
eigenlijk opmerkzaam maken op je

opmerkingsgave, je vereiste in feite
dat de rivier je vervloeide, de wind je
stilviel, het gras je neervlijde, het
gebed je verhoorde, dat je dank was:

dank aan het aandeel van het al je weelde
geschonkene in het zo ontstane gedeelde
waarbinnen je wegviel in verheffing
door ontvangst van teruggave uit winst

aan wensen zo zien te beheren - geen
afscheid, geen zege, geen aankomst
langer, en ook geen oude dromen meer,
maar een nieuw, hard, verterend soort

begeren: als leren vereren
...

7.
TO SEE

Being visible did not give succour,
what was seen did not save, the vision
veiled the point of view, perspective drew
across the visual range like fog, and yet

you continuously knew you were a part
of what you observed, your participation
being a statement, your message had
mercy, your attention took note of

a lack of it, you hadn't any desire
other than to be looked after by what you took
heed of, what you actually wanted was to make
what was noticeable notice your skills

in noticing things, in fact you required
that the river run you, the wind drop
you, the grass settle you down, the prayer
hear you, that you'd give thanks:

thanks to the share in all the profusion
granted you in the thus created inclusion
within which you withdrew in elevation
by receipt of repayment of dividend

in wishes manage one's seeing - neither
farewell, nor victory, nor arrival
necessary, nor any old dreams,
but a new, tough, consuming kind of

desire: like learning to admire
...

8.
JUWELEN STELEN NIET

Want ging ik ten westen van waar ik niet woon
maar verblijf naar de zeezij van de stad
die ik hoon noch liefheb,
rukte ik op door de schande
langs de slokdarm van de haven, de vanger
der ratten, het laatste lover mooi
in doodsnood op de blanco schotel
die de jumbo's

roven langs de pluim van de oven, en kwam ik
dichterbij, schoof me
op, mag ik het zeggen, een slang
door de dzjungel, naar de warande
om het schroot dat voedde de hoop
al spoot ik m'n gif nog wel
effe snel in de kranke rijkeluisranken, waarop
ik naderde het doel

voor ogen, noem het de duinen, kul, doop
het de uitgedroogde tuinen der verrotte
zee, dan voelde ik de liefde
ze bedwelmen me te redden
van hun ondergang door ze me grondig
te helpen logen, en dan bedoel ik de metalen
uit de strot en uit de tale

der complotten de okays
te halen, tot ik van de coyotes
achter me de zweren samen in hun oksels
niet meer rook, maar blonk
van het blauw dat me wou zogen
toen ik tenslotte opdook uit de stroop:
ik wil niet uithangen waar jullie

verdrogen, zong ik, dat is het enige
waar ik nog voor ga, in mijn hymne
door de gangen der moederarmen
om de modder, fluit van de loodsboot
bij de pier, de doodsnood robot, sabeldroom, los
van de bol in bloei, een trilling van de fitting
om de schaafwond van de schitter

Had ik namelijk het licht gewild had ik het
gepakt, had ik m'n bloed
ermee beschoten, en was ik blijven
komen, bij het heen en weer
gaan van de boten vol
van het spul, maar nu lag ik
in de bijouterie van de spray
del sol en kon m'n dope niet op

Zoon van de zomer, onder de rokken
rond het raadsel van de zon naar me
toegetrokken, de billen in m'n mond
genomen om ze op te slikken
door uit de parel te nemen
de romen. Want keek ik nu nog
terug, naar de kust, vond ik de spog
waarin ik ze zag stikken
...

9.
JEWELLERY DOESN'T STEAL

Because if I went west of where I don't live
but reside to the seaside of the city
that I neither scorn nor cherish,
if I marched on through the shame
along the harbour's gullet, the pied
piper, the final foliage looking fine
in death throes on the blank platter
that the jumbos

rob along the plumes of the forge, and if I came
closer, shoved myself
onto, dare I say it, a snake
through the dzjungle, to the game park
for the scrap that fostered hope
even though I spat my poison quickly
into the yards of sick rich folk, after which
I approached the target

in sight, call it the dunes, claptrap, baptize
it as the dried-out gardens of the rotten
sea, then I felt the love
stun them to save me
from their demise by helping them to treat
me thoroughly with lye, and I want both the metals
from the throat and the okays from the tales

of intrigue to be extracted,
till I no longer smelled the armpits
of the coyotes behind me conspire,
but shone with the blue that wished to suckle me
when I finally popped up from the syrup:
I don't want to hang about where you

dry out, I sang, that is the only thing
I am still going for, in my hymn
through the halls of mothers' arms
around the mud, the pilot boat's whistle
by the pier, the death throe robot, sabre dream, apart
from the bulb in bloom, the rocking of the socket
for the grazes of the glitter

Had I actually wanted the light I would have
grabbed it, shot my blood
with it, and would have kept
it coming, at the to-ing and fro-ing
of the boats full of
the stuff, but now I lay
in the bijouterie of the spray
del sol and in for a dope of a time

Son of the summer, under the skirts
around the riddle of the sun I pulled
towards me, the buttocks taken
into my mouth to gobble them up
by taking from the pearl
the creams. For, if I were to look back now
along the coast, I would find the spew
in which I saw them suffocate
...

10.
LOKAAL HEELAL

In ons is bewaard wat verging, aan mij de taak
(een doel) het te prikken aan de wand als een ring
om de dikke vinger van het middel. Hel, boven me
gesteld, hemel, op m'n borst gespeld, dolle pret

in bed, m'n zij haar dier, baar wonder, volle lul
aan boord ben ik in lokaal heelal, als kristal breekt
m'n kamer en vijf vadem diep tolt walhalla in de
sloten, dat is pas starten en doorstroom levert de blik

metalliek, glazuur de miroir, een legering van de ander
als zalf en mezelf in de vorm van een leger, bezet
door m'n adem. Poets door, pop. Waar ik honk zoop
ik, vervloog m'n hoop pronkt sterrenkundig rotting

nu ik mis, als de wanner de aar, de laars in m'n aars &
de gaarde strooit, gracieus met de hand, de janboel
bomvol tulpen voor Japan, in de zon die de rijst belooft
voor m'n hol. In deze kosmos slaap ik niet, m'n oor

legt me te luisteren op de losse bol, ik klok de coma
van de komende, commando's tussen psalmen
door, het onbevlekte lokken, tot haar melk me moet
verkalmen, om aan haar rok te blijven hangen. O

Noorderkroon, blaas het bloed uit de baan van de loop
die me verdooft, Slangendrager, Hellewagen, schiet me
dieper tot ik kan dalen, in de orkaankracht van het graan,
naar de klap van de molen op de polders die me vermalen
...

Close
Error Success