'snoods zal ik vuur uit de hemel
rif uit mijn moeder stelen
om er brokkelwoorden van te bouwen
of een val kravana voor de vogel
taal die zich gewonnen geeft
vergeten kaak (in een bezwete kinderhand)
maar 't is dat ik de mooglijke magie
van priesters vol vermogen vrees
die mij in dat geval zou overvallen
sonst war ich doch zahnartzt geworden
om tanden uit de bekken te breken
en valsheid in gebitten en beten
hooghartig uit de mond te wijzen.
maar in de lodenkamer zal het wel weer zuur zijn
en in de hollanders wordt de productie opgevoerd
voor moloch en monopsonist, en dat terwijl
ik alleen maar een blauw woord wil maken
of schrijven een wit op wit, en dat terwijl
het misschien valt als pruisisch rood
een trompet blaast de naam van (misschien)
wrokkebrok of schietkatoen of jetje
terwijl het liefde moest zijn
of 'snoods wat er voor door gaat.
sprake kan er daar nu niet van zijn
het volgend uur in handen nemen
als een getergde kaaiman
inkomens schreit hij en tranen
om afgekorte machten:
abc en iqr-pacten.
wie wil de initiaal zijn of het hoedje?
wie zal het lillebedillerig kwik
zijn hem resterend restje
noem het waardigheid noem het naveltje
noem het zoutje ziezo sal
noem het selie (sabhakthanih!)
noem het peterseliepetersal of
brandend salpeterzuur,
wie lost het navelprobleempje op
in dit roodrokendsalpeterzuur?
een kind kan dit varken wassen
en leert het van zijn, hoeveel?
schrijf acht maal achtentachtig
vaders
en één, klein, haartje, dat onder de hoed
van het gelijk en weten van
(zijn restje is misbruikt guanodrek
gedrenkt en gesmolten) gekroesd gekinkt
gekrent gekrenkt,
maakt ons allen tot het haasje;
haasje, wip voor het baasje!
want de artzybashevse krakers
kraken ons reeds de grotten en dalen
slopen en verstoken de venerische bergen
wachten op het martiaans lente-offensief
weten dat pluto in 't eind zal zegevieren
over oeranos en urania, urether en katheter en katheder
zal dansen op buik en hoofd van gaia, ja
wij hebben een liebigse koeler nodig, een
uiterst liebigse koeler brodig (nodiger dan brood).
met kindertekeningen
heb ik mijn daaglijks graf omhangen
maar 'snoods wil ik tot 't plafond wel springen
(als de nood komt aan de man)
om de hond uit de maan
in zijn graf te zingen
orfeus aan de hemelpoort
...
'f need be I'll steal fire from the heavens
midriff from my mother
to build crumbling words with them
or a kravana trap for the bird
language which admits defeat
forgotten jaw (in a child's sweaty hand)
but I just fear the possible magic
of priests full of power
that would overwhelm me in that case
sonst war ich doch zahnarzt geworden
to pull teeth from people's gums
and to banish falsity in dentures and bites
haughtily from their mouths.
but in the lead chamber it's sure to be acid again
and in the hollanders the production is stepped up
for moloch and monopsonist, although
I only want to make a blue word
or write a white one on white, although
it may come out as prussian red
a trumpet blows the name of (perhaps)
grudge-bearer or guncotton or wham
although it should be love
or if need be what passes for love.
there can be no question now
of taking the next hour in hand
like a taunted caiman
he cries incomes and tears
for curtailed powers:
abc and iqr pacts.
who wants to be the detonator or the cap?
who will the trembling meddling fulminate
his remaining remnant
call it dignity call it navel
call it salt biscuit, so there, sal
call it sley (sabachthani!)
call it parsleysal or
caustic nitrous acid…
who will dissolve the navel problem
in this red-smoking nitrous acid?
a child can wash this pig
and learns how from its, how many?
say eight times eighty-eight
fathers
and one, little, hair, which under the cap
of correctness and knowledge of
(his remnant is misused guano manure
drenched and melted) frizzed and kinked
thinned and offended,
makes us all into hares;
hare, hop for your master!
for the artzybashev crackers
are already cracking our grottoes and valleys
demolishing and burning up the venereal mountains
waiting for the martian spring offensive
knowing that pluto will triumph in the end
over uranos and urania, urether and catheter and cathedra
will dance on the belly and head of gaia, yes
we must have a liebig condenser ready, an
extremely liebig condenser bready (readier than bread).
with children's drawings
I've decorated my daily grave
but if need be I'll jump to the ceiling
(if the need is great enough)
to sing the dog in the moon
into his grave
orpheus at heaven's gate
...
Wij waren prinsjes, - zei ‘pastoor', -
omdat wij door de hemel waren uitverkoren.
Steels keek ik rond in de klas
naar wie er verder verkoren was,
en vond zijn stelling nogal sterk.
Wel geloofde ik, dat ik een prinsje was:
de Prinses wuifde koninklijk als Zij mij zag,
telkens als ik kwam van de kerk,
en schonk mij Haar Royaalste Lach.
Ik ben uitverkoren, dacht ik half, -
al doopte haar moeder mij eens ‘'t Kalf'.
Mijn moeder zag in het zoontje
dat dagelijks, vóór dag en dauw, ook bij regen,
ter kerke ging, 'n heilig boontje.
Ze wist niet dat ik rillend, dauw en zegen
eerst op de weg terug ontving,
waardoor de zon opging,
waardoor ik werd gezalfd; -
en bekroond en gezalfd en gewijd,
schreed op cumulus-wolken onder de zon
in een geur van Limacol en heiligheid.
Toen ik al was verdronken,
verhuisde Zij, en vervallen van de troon
viel ik terug in het plebs van kornuiten.
Met moeite ging ik nu nog uit en
alleen als 't moest naar de kerk, met pijn.
Mijn vader zei: ‘Hij ruikt z'n stinke.'
Maar niemand zag dat de onttroonde prins, -
zijn leven lang het manke kalf, - pijn-
lijk op één gedachte enkel voort zou hinken.
...
We were princes, ‑ Rev. said -
because we were by heaven elected.
Stealthily I looked about in class
to see who else had been selected,
and found his assertion rather crass.
Myself I did however think a prince:
When she saw me, the Princess regally waved
again and again when from church I passed by,
and granted me Her Most Royal smile.
‘I have been chosen' I thought with half
a mind, although her mother once named me ‘Calf'.
My mother thought the little swain
who daily would, even through rain
before daybreak go to church, a little saint.
She did not know, that shivering, I
would only receive dew and blessings
on the way home, causing the sun
to rise and me to be anointed; ‑
and crowned, anointed and consecrated I
would stride on cumulus clouds beneath the sky
in an odour of Limacol and sanctity.
When I had already drowned,
She moved elsewhere, and deposed,
I reverted to the rabble of cronies.
I now hardly ever went out and only
to church if compelled, with pain.
My father said: ‘He smells himself.'
But none saw that the prince dethroned,
a crippled calf for life, would painfully
hop between one thought only.
...
In ‘Het-varken-zonder-vest' op een hoop gedrongen:
een technisch oponthoud, - onze vleugels bevroren,
zag de klerk niet één toegeknepen oog tussen ezel
en os de stralende verschijning, gebenedijde nova,
voor koortsige ogen en koele troost, - maar lang nadat
Circe mij reeds bespied, en geteld en gewogen had.
Wij braken haar brood, dronken mijn bloedrode wijn,
werden geroepen, en hervatten opgelucht de vlucht,
beladen met eigen bagage en bewijzen van bestaan.
Wij hielden elkaar wakker met geladen gefluister,
om niet, wachtensmoe, als de schapenmassa om ons heen,
over elkaar in slaap te vallen, om niet, ontluisterd,
ook elkaars vleugels te krenken of te kreuken.
Nijver schroeiden wij verse wonden dicht,
spalkten en zwachtelden gecompliceerde breuken,
en streken weerbarstige veren glad.
(Bij elkaar hebben wij niet bij elkaar gerust:
tussen ons vlamde het nieuwe vuur
en gunde de stokers rust noch duur.)
Door de koptelefoon suste een jongenskoor zacht
dat lieve herders waakten bij nacht.
Wij hoorden het half, sliepen niet met elkaar.
In het mistige schemerlicht terug op aarde,
had elk de eigen schare te begroeten;
luiden van genade en goede wille, ach,
troonden ons mee; gespleten
sleepten wij de loden voeten.
Haar koers voerde noordwaarts, mijn pad naar 't zuiden,
en ieder jaar verbreedde de evenaar van oost tot west
sinds die slapeloze bijna stille nacht
van genadebrood en geschonken wijn
in ‘Het-varken-zonder-vest'.
Wij hebben elkaar nooit weergezien.
Achter zijn wallen schildert Herodes sedertdien, -
een engel grijnzend achter zijn grijze vest,
de hand steeds aan het gerede gevest,
één oog verblind, slechts het andere ziende.
...
Vox Dei dwingt mij de Zwavelberg op.
Men wijst over de zee, ik tuur tussen kanonnen
naar het beloofde eiland in de zon, vergeefs:
woestijnstof valt niet af te schudden,
vertroebelt nu, na 40 jaren zwerven nog het zicht.
Hier ben jij niet. Ik buig het hoofd, -
doorzoek het gastenboek: je was er nooit.
(Wie weet wel aan de overkant,
in 7 sluiers van stof verhuld
voor wie hier stond, de trieste gestalte
of de jonge Nelson wellicht?)
Na nog een poging moet Sancho Panza terug, bedrogen.
(Mozes bleef, en keerde tot stof met open ogen, -
een oude kankantrie na jaren droogte.)
Ik ga van een Calypso naar een andere
en als ik thuis kom, en uit het bad, en kijk,
blijken opeens mijn kinderen mens geworden.
'k Ontspan de grote boog, begraaf kompas en lijken,
en kan hen daarna in de ogen kijken,
voor het eerst.
...
Vox Dei compels me to climb Brimstone Hill.
They point across the sea, I peer between guns,
in vain, to find the promised island in the sun:
desert-dust cannot be shaken off, even now
hampering my sight after roaming for 40 years.
You are not here. I bow my head, ‑
peruse the guestbook: you never were.
(Maybe you were there, across,
in 7 veils of dust, shrouded
from the eyes of whoever stood here,
the mournful mien or young Nelson perhaps?)
One more attempt, and Sancho Panza deceived, descends
(Mozes did stay, and with open eyes went to dust,
an old cottontree after years of drought.)
I travel from one Calypso to an other,
and once returned, after a bath, I look
and find my children grown up suddenly.
The tall bow I unbend, bury compass and bodies,
and only then can I look them in the eye,
for the first time.
...
Als een elastiekje, rubberen bal, hete balata,
rekbaar, strekbaar, in vormen kneedbaar
pas ik mij aan, en zat
met Toearegs, Peulhs en Patata's
met Sinezen, Jampanezen, Hindostanen,
Libanezen, Otavalo's, Coronianen,
sprak ik, en zat, en at
met Angelen en Saksen en Hunnen,
met Knoeten en Auvergnats,
empathischer dan de vingertjes van Rome;
(is er empathischer tot ons gekomen?)
Mijn maatkostuum verbergt volkomen
het eeuwige pak, ransel, bult, bakru.
Een metronoom volgen mijn voeten andante
het aangegeven spoor, plooibaar, quick-quick-slow.
De resten razende onschuld, krijtende onrust,
moeten met vliegers en pijl en boog
geborgen in het ruim benedendeks
voor wie het gezonken schip ooit zal ontdekken,
archeologen.
Maar wat als nu
na al het leven (con sordino) onder de hemel,
jij crescendo een komeet verschijnt
als een gevallen ster;
kan het schip log van de pokken
en dagelijkse mossels
ooit nog de koers verleggen?
...
Like an elastic band, rubber ball, hot balata,
flexible, stretchable, kneadable into shapes
I adapt, and sat
with Tuaregs, Peulhs and Patatas
Sinese, Jampanese, Hindustanis,
Lebanese, Otavalos, Coronians,
I spoke, and sat, and ate
with Angles and Saxons and Huns,
with Canutes and Auvergnats,
more empathetic than the fingers of Rome;
(has anyone more empathetic come to us?)
My made-to-measure outfit completely hides
the eternal suit, backpack, hump, bakru.
A metronome, my feet follow andante
the designated path, rubato, quick-quick-slow.
The remnants of raging innocence, screeching discontent,
Must with kites and arrow and bow
be hidden in the hold below deck
for those who one day will discover the sunken ship,
archaeologists.
But what if now
after all the life (con sordino) under the heavens,
you appear like a comet crescendo
like a fallen star;
can the ship ponderous with pox
and daily mussels
ever change course again?
...