Het vriest in dit hart. Ze heeft lussen tot een sjaal geschaatst
die zich rond mijn hals stropt. Met de bloedmolen als enige
schaduwgetuige, aan zijn voet zal ik wonen. Aan de horizon
van dat hart ligt een wak in het ijs, zeven duiven spieken
aan de rand. Naast het wak schilder ik een stilleven
dat uitkijkt op de bloedplaats, ik kijk langs het trapgat
naar beneden en zie de trillende zwartvissen liggen
op de bodem. Ik hoor geen ambulances, rollende gordijnen,
er wordt geen krant gedrukt en niets geschreven,
geen smiley knipoogt. Het landschap legt zacht zijn
slapelozen het zwijgen op. Geen hond blaft
als het wintert, het ijs kraakt zijn lakse gevecht.
In de balzaal van haar blikken heb ik haar ontmoet. En als
mijn hart daar wil smelten, kan ik haar verliezen als het moet.
...
It's freezing in this heart. She has skated loops into a scarf
that has knotted round my neck. With the blood mill as
the only shadow witness, I will call its root my home. On
that heart's horizon there is an ice-hole, seven doves are peeking
over the edge. Beside the hole, I am painting a still-life
that looks out on the blood square, I look past the stairwell
all the way down and see the quivering blackfish lying
at the bottom. I can hear neither ambulances, nor rolling curtains,
there isn't a single paper being printed, nor anything written,
nor a smiley winking. The landscape softly reduces
its sleepless ones to silence. No dog to bark
while it is winter, the ice cracking its bone-idle fight.
I met her at the gala of her glances. And if that is where
my heart will melt, I can lose her if need be.
...
Jongen, ik zou willen weten: wat maakt het de moeite waard,
het navelstarende zwijgen bij de waakvlam van je badkamerboiler,
bij elk niezen de liefde preken, piekeren over de potsierlijkheid van
voornamen want vandaag sprak ik een bassende albinohond op straat
die de wratten op zijn ballen als braille las en daarna nog steeds niet wist
of we gedichten over de maan mogen schrijven.
Jongen, ik zou willen weten: wat maakt het de moeite waard om dit leven
te blijven leiden, te volharden in boosheid en door te blijven schrijven;
brieven, opstellen, gedichten, waarin je jezelf aanprijst en de wereld
verguist, vecht tegen onverschilligheid, de dagen van faits divers.
Jongen, ik zou willen weten: wat maakt het de moeite waard verder
te blijven schrijven tot men je debuut vergeet wanneer
onze vinger niet meer dient om naar de maan te wijzen maar je vier
lezers liever knuffeljunks googelen.
Alle hoop is ijdel wanneer je vanuit de fermette kwetterverzen de
wereld in kweelt, je gedachten comprimeert in een statusbalk of twee,
een essay schrijft in honderdveertig tekens. (Ik ken een dichter
die van zijn baard een strop vlecht - er zijn geen blaffende honden meer.)
Jongen, mijn droom is onmogelijk en nefast, alle blaaskaken zijn op drift
in deze nep-aan-neprace en wat overblijft is een riem papier
met het hopeloze gehengel, maar ik beloof:
ik haal het hoofd uit de borstkas, gun de ribben ruimte, blijf
schrijven: brieven, opstellen, gedichten et cetera.
Die hond, vergeef hem niet.
...
Boy, I'd like to know: what makes it worthwhile,
the navel-gazing quiet by the pilot light of your bathroom heater,
preaching love at every sneeze, fretting over the absurdity of
first names because today I spoke a baying albino dog in the street
that read the warts on its balls as braille and then still didn't know
whether we were allowed to write poems about the moon.
Boy, I'd like to know: what makes it worthwhile to keep living
this life, to persist in anger and keep on writing;
letters, essays, poems, in which you recommend yourself and
revile the world, combat indifference, the days of faits divers.
Boy, I'd like to know: what makes it worthwhile to keep on
writing till people forget your debut when
our finger no longer serves to point at the moon but your four
readers would rather google huggable junkies.
All hope is in vain when from the farmette you warble chatter verses
into the world, compress your thoughts into a couple of status bars,
write an essay in one-hundred-and-forty characters. (I know a poet
who braids his beard into a noose - the barking dogs have all gone.)
Boy, my dream is both impossible and baleful, all the windbags are at it
in this feck-to-feck race and what remains is a ream of paper
with all that hopeless angling, but I promise:
I'll lift up head from chest, to give the ribs some space and keep on
writing: letters, essays, poems etcetera.
That dog: do not forgive him.
...
De dichter moet immer waakzaam
blijven, vooral teder te zijn.
Elke dag voor haar uit de hemel willen vallen,
zorgen dat de jazz zijn spieren minder stram maakt.
Hij moet immer waakzaam
blijven, dat er genoeg verstrooiing
is voor ons hart, wil de dichter zijn verzen
nog kunnen prevelen in het oor van een vrouw.
Hij moet immer waakzaam
blijven, soms zwak te zijn.
Opdat de wind zal winnen van zijn gehoor, hem
zinnen influistert waarmee hij een lichaam
rond zijn vinger bouwt.
Waarna de dichter kan zeggen: o, omarm mij,
ik ben nog niet gauw voorbij.
...
The poet should be ever
vigilant, be above all tender.
Be willing to always fall from the sky for her,
take care the jazz loosens up his muscles.
He should be ever
vigilant that there's entertainment to our
heart's content, that we might mumble
the poet's verses into a woman's ear.
He should be ever
vigilant to be weak sometimes.
So that the wind will win against his hearing, whisper
lines to him with which he'll build a body
around his finger.
For then the poet can say: o, embrace me,
time has yet to pass me by.
...
Voor Nguyen Van Kham (1954-2010)
De rivier Mekong was een naad tussen
uw oude stad en een ander niemandsland,
toch viel u een bestemming te beurt
door meer onbekendheden begrensd.
Met de bankafschriften in de hand
vermoeden we dat u hier heeft geleefd
onder ons, vier hoog, in een verlopen
kalenderjaar als een kraaknette vent.
Waar generaties Egyptenaren jaren tobden
over het procedé, werd u een mummie
op zichzelf, onwel geworden en liggend
naast uw bed, van het leven afgewend.
Zeven minuten zendtijd op de televisie,
uw vertrek werd geduid in het journaal,
een column op pagina twee in de krant,
zoveel aandacht was u vast niet gewend.
Ongemakkelijk zijn we van uw verdwijning,
uit verontwaardiging worden we plots
betere buren, uw buurvrouw Jenny had
koffie gewild als ze uw taal had gekend.
Wij hebben gefaald, geef ik grif toe, pas
bij het ontbreken van uw geld u opgemerkt.
Zelfs met uw jarenlange zwijgen over de dood
heen, hadden we moeten weten wie u bent.
...
For Nguyen Van Kham (1954-2010)
The Mekong river was a seam between
your former town and another no-man's-land,
but still you were assigned a destination
bordering on even greater unknowns.
Judging by the bank statements
we suspect you lived here
among us, fourth floor, in an expired
calendar year, a squeaky clean chap.
While generations of Egyptians worried
about their procedures for years, you became
a mummy on your own, unwell and
lying beside your bed, averted from life.
A seven-minute broadcast on TV,
your departure was reported in the news,
a column on page two of the paper,
more attention than you ever knew.
Your disappearance made us feel uneasy,
indignation brought us closer together
as neighbours - Jenny next door would have
liked a coffee had she spoken your language.
We failed, I readily admit, first noticing you
when your money did not show up.
Considering your years of silence beyond
death, we should have known who you are.
...
Het in de kamer stiller maken dan in haar bloed:
de kloppende kever uit de witte muren slaan,
de ontwijkende gordijnen weer in slaap duwen,
de koffie loopt langzaam dood. Zwijgzaamheid
tekent zich in zwarte schaduwen op de muur,
eerst kamelen, wezels, een logge walvis, dan
worden we hazen in hoog gras. We spelen smerige
beesten. En daar in de kamer krijgen haar hersenen
een stem zoals haar bloed spreekt: vanuit de stam
zaait haar liefde zich uit. Ter plaatse trappelend,
want een dode zwartvis ben ik, schokschouderend
en trillend lig ik op bed. Mijn handen zijn gevouwen
in een dwang. Want van wat blind de weg weet in mij;
de eigen rigoureuze liefde als weerwoord, ben ik bang.
...
To make it go more quiet in the room than in her blood:
hammer the beating beetle from the whitened walls,
nudge the receding curtains back to sleep,
the coffee slowly runs to a dead end. Quietude
outlines itself across the wall in darkened shapes,
first camels, weasels, a sluggish whale, then
we become hares in tall grass. We play dirty
beasts. And there in the room her brain assumes
a voice the way her blood speaks: from the stem
her love disseminates itself. Trampling on the spot,
because I am a dead blackfish, shoulders shaking
and trembling I lie on the bed. My hands are folded
in straits. Because what blindly knows its way through me,
one's own rigorous love as retort, scares me the most.
...