Marieke Lucas Rijneveld

Marieke Lucas Rijneveld Poems

LATEN WE ELKAAR AAIEN
We beginnen gewoon met dichterbij komen, persen de lucht langzaam weg
tussen onze lichamen als weckpotten met zomergroente die zich vacuüm zuigen
langer houdbaar begint altijd met het aanbrengen van een etiket

ga dan door je knieën, plant mijn hand op je haren, wrijf heen en weer
een omgekeerde manier van zwaaien totdat je lokken kleverig worden.

We kennen mensen die zelfs voor zwaaien te ver van elkaar af staan
waar het wegwuiven een vorm van ademhalen is geworden, de lucht moet
altijd schoon verklaard zijn voordat ze verder kunnen: dit mag ons niet gebeuren.

Negen was je toen je zei dat je als de badkuip was, iets wat altijd een ander nodig
zou hebben om zichzelf te vullen, ik liet het water lopen en je toonde mij waar
het gat zich bevond, hoe het bovenin was begonnen, daarna gevallen

een konijn werd in een museumfilmpje in de diepte gegooid, om te kijken welke
dieren net als katten op hun pootjes terechtkomen, nee, het raakte de grond
leek even één te worden met de structuur van de vloer tot het opveerde
dit noemden ze kunst maar jij schreeuwde: raak me hier aan, nu

want ik was toch de man uit wie je was samengesmolten als een weckpot
die openbarstte door te veel aan warmte, die de gaten zou kennen als
kruipruimtes in een uitgehold brood.

Ik laat je zo lang dwalen, steeds opnieuw het bad vullen tot op een dag je huid
het water niet meer opneemt, in iedere plooi een schaduw komt die je vreemd is.

Kom toon je nu niet zo naakt, dit vlees is mij vanaf de geboorte al vreemd geweest
maar laat me je wel aaien, dat hoort erbij zeggen ze, het mag.
...

We begin simply by coming closer, slowly pressing away the air
between our bodies like jars of summer vegetables that suck themselves vacuum:
preservation always begins with the application of a label.

Go then, on your knees, plant my hand upon your hairs and rub back and forth -
a reversed way of waving until your locks become sticky.

We know of people that stand too far apart even for waving
where waves of dismissal have become a form of breathing, the air must
always be declared pure before they proceed: this must not happen to us.

You were nine when you said that you were like a bathtub, something that would always need
another to fill itself, I let the water run and you showed me where
the gap was, how it began at the top, then fell

a film in a museum showed a rabbit thrown into the deep, to see which
animals, like cats, could land on their feet, no, it touched the ground,
appeared for a moment at one with the structure of the floor until it bounced -
this they called art but you screamed: touch me here, now

because wasn't I the man who caused you to fuse like a jar
that has burst open from too much warmth, who should know the gaps like
crawl spaces in a hollowed-out loaf.

I've let you wallow so long, continuously refilling the bath until the day your skin
no longer soaks up the water and a shadow that is strange to you seeps into every pleat.

Come, show yourself now not so nakedly, this flesh has been strange to me since birth
but do let me stroke you - that's part of it, they say - it's allowed.
...

Ik denk aan deuren die harder dichtvallen als iemand voor het laatst
het huis verlaat, aan hoeken van kamers die eigenlijk oksels zijn en
angstzweet verspreiden, lekkages. Er hangt geen ongemakkelijke sfeer,
het zijn de ramen die bibberen als iemand weggaat

Zoals verdriet vergelijkbaar is met het vuilnis buitenzetten
niemand zie je het doen en toch staat het op maandagochtend aan de straat
sommige dingen doe je alleen in bed als de nacht in een zeil verandert
waar sterren vanaf tuimelen, op het dak vallen als knalerwten.

In de verte staan twee fabrieken met elkaar te roken
toen de deur achter je dichtviel, heb ik uit het raam gehangen
zij stonden daar veilig onder het afdak van wat grijze wolken

en ik riep je na terwijl zij de volgende opstaken, het over ons hadden
rokers staan zelf eeuwig in de mist, kijken daarom altijd naar de ander
dus schreeuwde ik naar je waardoor het behang zich losrukte van de muren
want we bellen ook al knippen ze de lijnen door als navelstrengen

sturen brieven met parfum en inktvlekken als tegenstellingen
om te verdoezelen dat we misschien wel te veel van elkaar houden
gooien flessenpost met gedachten en zorgen om ons hoofden
boven water te houden. Zetten het huis op een ansichtkaart.
...

I think of doors that slam harder when someone leaves the house
for the last time, of corners in rooms that are actually armpits and
spread anxious sweat, leakages. There is no uneasy atmosphere,
it is the windows that tremble when someone leaves.

Such as sadness is comparable to putting out the garbage
you see no one doing it and still, on Monday morning it is out there on the street,
some things you only do alone in bed when the night becomes a sail
from which stars tumble, falling on the roof like firecrackers.

In the distance two factories stand together smoking -
when the door slammed shut behind you, I hung out of the window,
there they were, safe under the awning of some grey clouds

and I called after you while they lit another cigarette, spoke about us
smokers put themselves eternally in the mist, so that they're always looking to the other
and I shouted at you, causing the wallpaper to tear itself loose from the walls
because we will call even if they cut through the lines like umbilical cords

send letters with perfume and ink spots as contradictions
to conceal that we might just love each other too much
throw messages in bottles filled with thoughts and concerns to keep
our heads above water. Put the house on a postcard.
...

Na een maand wist ik hoe het klonk wanneer je nadacht: als het suizen van
verwarmingsbuizen, het trage gloeien van je wangen voordat de warmte van
je peinzen mij zou bereiken. In het begin plaatsen we elkaars blikken zoals we
de meubels hadden neergezet op plekken waar we stilte zouden
verwachten in gesprekken of bij de ontbijttafel in de hoek waar we mochten
twijfelen en hoe je dit later met elkaar deelt zonder dat het de sfeer van een
spreekbeurt heeft: ik wil het graag hebben over de spreeuw zeg ik
iedere avond tegen beter weten in omdat spreeuwen gemakkelijk

samenvallen en weer uiteen zonder tegen elkaar op te vliegen, liefde is een
theatervogel, luchtacrobatiek zei mijn vader eens die na zijn pensioen
alleen nog naar boven keek: voor de vogels en voor een glimp van God.

Mijn zweethanden verborg ik onder het tafelblad, als mijn vingers vleugels
waren geweest dan zat mijn oksel vast tussen mijn duim en wijsvinger, ik
beweeg ze als snavels, een lichaam heeft vele uitwegen om maar geen
lichaam te hoeven zijn. We verplaatsen naar de bank om ruimte te
maken voor vragen, alleen daar is plek voor opluchting zien we het voor
ons hoe onze gedachten spreeuwenwolken veroorzaken, ze maken
duikvluchten en vormen die we niet kunnen uitdrukken, zoals gewoonlijk

vraag je hoeveel vogels een zwerm maken en hoeveel handelingen nodig
zijn om ons als geliefden te versmelten, wanneer je mijn blik zo kan
plaatsen dat het als een schilderij hangt waar je veel op ziet maar nooit alles,
dat is de kunst van het liefhebben. Het matras is daar waar praten overbodig
is en stilte bij inbegrepen zit net als liefkozingen maar zodra de koude vloer mijn
voeten raakt zoek ik weer naar hoe ik je moet plaatsen in een huis waar alles
onbewogen blijft als wij ons niet verplaatsen, alleen het ruisen van onze
hoofden maakt dat we samenvallen zonder dat we dichterbij komen.

Een spreukbeurt is een voordracht over een onderwerp waarvan je zoveel
weet dat je geen vrije val kunt maken, waarbij je stembanden niet veranderen
als het verenkleed van de spreeuw aan het eind van de zomer als hij heimwee
krijgt, alleen maar overvliegen van de inleiding naar het dankwoord, slaap zacht

mijn lief daar in de verte van mijn zicht, als ik niet beter zou weten zou mijn hoofd
een uitkijktoren zijn, zonder dat je het doorhebt zie ik alles wat in je woedt.
...

After a month I knew how it sounded when you were thinking: like the hissing of
heating pipes, the slow flushing of your cheeks before the warmth of
your musings would reach me. In the beginning we placed each other's glances just as we
had moved the furniture to places where we expected
silence in conversations or by the breakfast table in the corner where we might
entertain doubts and how, later, you would share these without it having the atmosphere
of a lecture: I would like to speak about the sparrow I say
each evening, against my better judgement because sparrows easily

converge and come apart again without flying at each other, love is a
theatrical bird, air acrobatics my father said once and after retiring
he only looked above: for the birds and for a glimpse of God.

I hid my sweaty hands underneath the table, if my fingers were wings
then my armpit would rest between my thumb and forefinger, I
move them like beaks, a body has many ways of not
being a body. We transfer to the couch to make room for
questions, there alone is space for sighs of relief, we see before
us how our thoughts cause clouds of sparrows and shapes we cannot express, as usual

you ask how many birds make a swarm and how many acts are necessary
to fuse us together as lovers, when you might place my glance
so that it hangs like a painting in which you can see much, but never everything,
that is the art of adoration. The mattress is there where speaking
is superfluous and silence is included like caresses but as the cold floor reaches
my feet I seek a place for you in a house where everything
remains unmoved unless we move it ourselves, only the murmuring of our
heads causes us to converge without coming any closer.

A lecture is a speech on a subject about which you know
so much that you cannot free fall, whereby your vocal chords do not change
like the plumage of the sparrow at the end of the summer when he has become
homesick, flying over the introduction to get to the thank you at the end, sleep softly

my love, there in the horizon of my sight, if I didn't know any better my head
would be a watchtower, without you knowing I see everything that rages within you.
...

Hoe ga je naar bed als je net een schaap hebt overreden, trillend op de
bedrand je koude handen als rauwe sukadelappen op je ogen, haar hand

tot halve sinaasappel gevormd die zwaar op je knie drukt, heen en weer
beweegt om alles uit te persen wat je is overkomen maar vergeet niet de snelheid

van het praten, zonder pauzes blijft alles vacuüm, heeft verdriet weinig kans
ertussen te komen. Begin alsjeblieft over wijn denk je nog, over hoe de kinderen

opgroeien en al die klaprozen roekeloos openspringen maar haar hoofd is al
tijden een autocue, je weet wat je moet zeggen om haar gerust te stellen:

mooi weer spelen heeft meer met regen te maken en het regent alsof we de zon
ooit bedacht hebben. Je loopt rondjes door de slaapkamer om je gedachten als een

armband in elkaar te kunnen klikken, wast je handen keer op keer en kijkt ernaar om
de zuiverheid te testen, het lichaam sissend als een verroeste barbecue.

Ze zegt dat er glazen en een wijnfles in het nachtkastje staan, nog van de vorige keer
dat je bevend en al dat bloed. Na twee glazen valt ze uit, krimp je ineen onder de lakens

als het schaap onder je autobanden, denk je aan alles wat ooit sneuvelde en een klap
met zich meebracht, je draagt dat met je mee tot je hart in een graf verandert, je hoofd

als een granieten steen erbovenop, eindelijk tot rust gekomen huil je wijn totdat het
niet meer om het schaap gaat maar om wie de bestuurder troost, jij arme, dwaze hond.
...

How do you go to bed when you have just run over a sheep? Trembling on the
edge of the bed your cold hands like raw steaks over your eyes, her hand

forms half an orange which presses heavily upon your knee, back and forth
it moves, squeezing out everything that has happened to you but don't forget the speed

of speaking, without pause everything remains a void, sadness has little chance
of coming through. Please speak of wine you think, of how the children

are growing and of all the poppies recklessly springing open but her head has
long been an Autocue, you know what you must say to comfort her:

playing fair weather has more to do with rain and it's raining as though we once
invented the sun. You walk circles round the bedroom, trying to click your thoughts

together like a bracelet, wash your hands again and again and examine them
testing their purity, body hissing like a rusty barbeque.

She says there are glasses and a bottle of wine in the nightstand, left from the last time
that you trembled and all that blood. After two glasses she gives up, you shrink beneath the sheets

like the sheep beneath the tires, you think of everything that has ever perished and the slap
that it brought with it, you carry this with you until your heart becomes a grave, your head

the granite stone above it, finally at rest you weep wine until it is
no longer about the sheep but about who will comfort the driver, you poor, daft dog.
...

We mochten geen vragen stellen maar wel antwoorden bedenken, mama huilde
veel in de tijd dat we nog geen meter waren en ze ons leerde dat de dood een echo
had die nasuisde tot ver in je trommelvliezen, vergat steeds om mijn koude
handen in mijn broekzakken te steken, ze niet tot vuist te maken maar plat

zoals ik ze op de glasplaat van de kist van mijn broer liet vallen als twee
vochtige zeesterren, de zee zich ineens boven onze hoofden bevond
iemand had de vloer weggeschoven en niet meer teruggelegd zei opa die
mijn angsten tot duiven vormde: om ze tam te maken

moest ik ze van kop naar staart aaien en één keer in de week loslaten in
het weiland achter de stal, toekijken hoe ze wegvlogen maar in de nacht tikten ze
weer met hun snavels tegen het slaapkamerraam, belde hij in paniek de loodgieter
uit de straat omdat er gaten in zijn kleinkinderen zaten, ze lekten liters tranen.

Troosten was toen nog als inparkeren, het is meten en weten en toch schat je het
vaak te krap in, blijf je zoeken naar de juiste plaats, een omhelzing heeft soms
ook meerdere rondjes om elkaar heen nodig. Op tafel stonden theeglazen
gevuld met jenever, vreemde wijsvingers roerden door ijsklontjes er klonk vrolijk

gerinkel terwijl de dood nog een klap moest maken zoals antwoorden een paar
seconden de tijd nodig hebben om te landen in hoofden van publiek, waren
wij hier het publiek of hadden we andermans broekzakken nodig om de warmte van
een lichaam te voelen, ik pakte een wijsvinger en opende mijn mond, roer maar dacht

ik nog laten we doen alsof we elkaar beet willen pakken maar we steeds van elkaar
wegglippen, terugtrekken betekende dat de klap niet bij iedereen hetzelfde
binnenkwam, zij niet hol genoeg waren om een echo te verbergen.

Naast de dominee stond de tandarts, de enige man in ons leven die oog had
voor alles wat we voor onze kiezen kregen en begreep dat 's nachts onze oren in
zeeschelpen veranderden waarin we niet de zee hoorden suizen maar de dood
broer steeds weer in ons hart naar boven kwam gedreven.
...

We weren't allowed to ask any questions but could invent answers, Mama cried
lots in the time when we were not yet a meter and she taught us that death had an echo
that rang deep inside your eardrums, I kept forgetting to stick my cold
hands in my pockets, not to make a fist but flat

the way I let them fall upon the glass pane of my brother's coffin like two
damp starfish, the sea suddenly found itself above our heads
someone had shoved the floor away and not replaced it said Grandpa who
made doves of my fears: to tame them

should I have stroked them from head to tail and once a week let them loose in
the field behind the stall, watching as they flew away? But at night they tapped
again with their beaks against the bedroom window, in panic Grandpa called the local plumber
because there were holes in his grandchildren, they were leaking liters of tears.

Then, consolation was just like parking, to measure is to know and still sometimes
your estimation is too narrow, you continue searching for the right place, sometimes an embrace
can also require several circles around each other. On the table tea cups stood
filled with gin, strange fingers stirred ice cubes making a cheerful

tinkling while death had yet to make a sound, just as answers need a couple
of seconds to land in the heads of an audience, were
we the audience here or did we need other people's pockets to feel
the warmth of another body? I took a forefinger and opened my mouth, just stir it I

thought then let us pretend that we want to grab each other though we keep
slipping away, withdrawal meant that the sound did not enter everyone in the same
way, those not hollow enough to hide an echo.

Beside the preacher stood the dentist, the only man in our lives who knew
everything that got between our teeth and understood that at night our ears
became seashells in which we heard not the rushing of the sea but the dead
brother, constantly in our hearts, being driven up again.
...

The Best Poem Of Marieke Lucas Rijneveld

LATEN WE ELKAAR AAIEN

LATEN WE ELKAAR AAIEN
We beginnen gewoon met dichterbij komen, persen de lucht langzaam weg
tussen onze lichamen als weckpotten met zomergroente die zich vacuüm zuigen
langer houdbaar begint altijd met het aanbrengen van een etiket

ga dan door je knieën, plant mijn hand op je haren, wrijf heen en weer
een omgekeerde manier van zwaaien totdat je lokken kleverig worden.

We kennen mensen die zelfs voor zwaaien te ver van elkaar af staan
waar het wegwuiven een vorm van ademhalen is geworden, de lucht moet
altijd schoon verklaard zijn voordat ze verder kunnen: dit mag ons niet gebeuren.

Negen was je toen je zei dat je als de badkuip was, iets wat altijd een ander nodig
zou hebben om zichzelf te vullen, ik liet het water lopen en je toonde mij waar
het gat zich bevond, hoe het bovenin was begonnen, daarna gevallen

een konijn werd in een museumfilmpje in de diepte gegooid, om te kijken welke
dieren net als katten op hun pootjes terechtkomen, nee, het raakte de grond
leek even één te worden met de structuur van de vloer tot het opveerde
dit noemden ze kunst maar jij schreeuwde: raak me hier aan, nu

want ik was toch de man uit wie je was samengesmolten als een weckpot
die openbarstte door te veel aan warmte, die de gaten zou kennen als
kruipruimtes in een uitgehold brood.

Ik laat je zo lang dwalen, steeds opnieuw het bad vullen tot op een dag je huid
het water niet meer opneemt, in iedere plooi een schaduw komt die je vreemd is.

Kom toon je nu niet zo naakt, dit vlees is mij vanaf de geboorte al vreemd geweest
maar laat me je wel aaien, dat hoort erbij zeggen ze, het mag.

Marieke Lucas Rijneveld Comments

Close
Error Success