Avond. Twee tuinen verder woedt het voorjaar
en sluipen kapers door het donker.
Ergens vechten nagels om een vacht. Gekrijs
om kruimels liefde. Stukgebeten oren.
De krolse oorlog van een voorjaarsnacht.
Bijna vergeten hoe ik met dezelfde woede
door het donker joeg, hoe jij nog valser
dan een kat je nagels in drie harten sloeg.
Wat is het lang geleden en wat blijf je mooi.
Ik heb de dagen één voor één geteld
en met de beste woorden die ik heb:
ik hou van je. In jou vind ik een bed.
En het is lente en we delen hier
dezelfde nacht met alles wat dat zegt.
...
Evening. Two gardens further up spring is raging
and hijackers are stealing through the dark.
Somewhere nails are scrabbling for fur. Screechings
for crumbs of love. Badly mangled ears.
The randy hostilities of a spring night.
Almost forgotten how I with the selfsame rage
once hunted through the dark, how you still meaner
than a cat sunk your nails into three hearts.
How long ago that is and how lovely you still are.
I've counted the days one by one
and with the best words that I have:
I love you. In you I find a bed.
And it is spring and we are sharing here
the same night with all that that entails.
...
Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,
nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist
en steeds dezelfde dag uitzit. Uitzicht
op bomen heeft ze, in die bomen vogels
en geen daarvan die zijn verwekker kent.
Ik ben al meer dan veertig jaar haar zoon
en zoek haar op en weet niet wie ik groet.
Ze heeft me voorgelezen, ingestopt.
Ze wankelt, hapert, stokt. Ze gaat kapot.
Geen dier, zegt men, dat aan zijn moeder denkt.
Ik lepel bevend eten in haar mond
en weet haast zeker dat ze me nog kent.
Het zullen merels zijn. Ze zingen door.
De aarde roept. Krijgt vloek na vloek gehoor.
...
My mother's near kaput. She's got a hutch,
not quite a box, and sits the same day out
each day on her much pissed-on chair. Can stare
at trees outside, and in those trees are birds
that know not who has once begotten them.
I've been her son now over forty years
and pay her calls and don't know who I greet.
She's read to me aloud, and tucked me up.
She falters, stalls, gets stuck. She's near kaput.
No beast thinks of its mother, so they say.
With trembling hand I spoon food in her mouth
am almost certain she still knows my face.
It must be blackbirds. On and on they churn.
The earth cries out. And curse on curse is heard.
...
We waren niet begaan met wat er stierf.
Een trage stoet, een laatste groet:
het deed ons niets. We waren jong
en hoonden het misbaar van bloemen
en verklede mussen, we liepen door
en leefden onze tijd aan stukken.
De lusten, niet de lasten, en de wereld
een matras. En tussen alle kussen door
een stil besef dat dit het was: het zwelgen,
nu en hier, de wijsheid van het dier.
We waren niet begaan met wat er stierf.
En toen we wakker schrokken in een witte zaal
- ver van de straten en de stoeten -
kwam ons een ondervoede man bezoeken
en wees. We hebben amper opgekeken,
bleven kalm en deden hem verbleken.
...
We felt no ounce of pity for what died.
A slow procession, one last session:
it left us cold. For we were young
and mocked the clamouring of flowers
and dressed-up sparrows, we walked on
and lived our time to pieces.
The sensations, not the obligations, and the world
a mattress. Amidst the blissful kisses, though,
a quiet sense that this was it: revelling,
here and now, the wisdom of an animal.
We felt no ounce of pity for what died.
And when we jerked awake in some white ward
- far from the streets and the processions -
a half-starved man paid us a visit
and pointed. We scarcely raised our eyes,
stayed calm and made the image fade.
...
Beelden, beelden, zo helder en geheim
dat ik op slag verstijfde - elke boom,
het hele bos keek mee. Ik schrok niet eens,
ik viel meteen twee dijen in toen ik
het vond. Pas later kreeg het een verhaal.
Zoals vandaag. Wie graaft mijn glimlach op?
Wie engelt me het bed in? De meisjes
onder mijn matras, die zijn zo snel,
die bliksemen op mijn bevel hun kleren uit,
die heten niet, die leven niet, die zijn
zo weggelegd. Maar 's avonds zie ik soms
dat bos waar ik m'n eerste boekje vond:
een stronk met dijen, schaamgras, lillend licht,
mijn ogen smeulen en de hemel kleurt.
Die middag als een open wond.
...
Pictures, pictures - so clear and clandestine
I instantly grew stiff - each tree, the whole
wood also looked. I was not even scared,
fell at once between two thighs on finding
it. It got a story only later.
Just like today. Who will unearth my smile?
Who will angel me into bed? The girls
under my mattress, they are all so quick,
at my command they lightning off their clothes,
they have no names, they have no lives, they're put
straight away. At times in the evening, though,
I see the wood where I found my first book:
a stump with thighs, curled grass, shimmering light,
my eyes smoulder and the sky glimmers. That
afternoon as an open wound.
...
Vanochtend werd ik wakker in een droom
van iemand die een huid van vlees bewoont.
Ik kon niet vluchten, ik was geen Tsjwang Tse
die had gedroomd dat hij een vlinder was
en zich bij ochtendlicht afvroeg of hij,
Tsjwang Tse, gedroomd had een vlinder te zijn
of dat de vlinder droomde als Tsjwang Tse
te ontwaken, nee, ik was een mens,
een taai skelet met tweeëndertig tanden,
twee handen en een tragisch intellect
dat met een angst voor klokken was behept.
Maar langzaam, bijna heilig, stond ik op,
gaf mijn gezicht een hand en ritste mijn
gedachten dicht. Dit is mijn dag, wist ik.
Hier lonkt een spiegel naar verwonderd licht.
Daar breekt een vlinder uit. En dat ben ik.
...
Hier geen Natureingang.
Geen beek van zilver, gouden zonlicht, zeikgedicht.
Hij gaf niet om de zon.
Maar hoorde hij een klank, zag hij een vlam, dan greep
hij witheet met zijn hand.
Soms stond hij heilig met een schilderij te praten
of plantte hij bezorgd
een snijbloem in de aarde. Een kind van zeventien
met kelders in zijn ogen.
Afkomst verduisterd. Mensen die hem willen doden.
Zijn onbemande mond
die hulpeloos herhaalt wat hem was ingesproken:
`Ik wil een ruiter worden.'
Meer wist hij niet. En wij, wij leerden Kaspar kij¬ken,
wilden zijn hoofd met Duits
verrijken, steenhard Duits dat al zijn schrik verdreef.
Maar het verklaarde niets.
En bastaardprins of niet, gelukkig werd hij nooit.
En nu is Kaspar dood.
En wij, wij leefden hem, beschreven hem in gloedvol
Duits dat niets doorzag.
- Breek alle pennen stuk. Tuig elke letter af.
Er is geen taal die troost,
geen woord dat bloost bij Kaspar en zijn hondendood.
...