Menno Wigman

Menno Wigman Poems

Avond. Twee tuinen verder woedt het voorjaar
en sluipen kapers door het donker.
Ergens vechten nagels om een vacht. Gekrijs
om kruimels liefde. Stukgebeten oren.
De krolse oorlog van een voorjaarsnacht.

Bijna vergeten hoe ik met dezelfde woede
door het donker joeg, hoe jij nog valser
dan een kat je nagels in drie harten sloeg.
Wat is het lang geleden en wat blijf je mooi.

Ik heb de dagen één voor één geteld
en met de beste woorden die ik heb:
ik hou van je. In jou vind ik een bed.

En het is lente en we delen hier
dezelfde nacht met alles wat dat zegt.
...

Evening. Two gardens further up spring is raging
and hijackers are stealing through the dark.
Somewhere nails are scrabbling for fur. Screechings
for crumbs of love. Badly mangled ears.
The randy hostilities of a spring night.

Almost forgotten how I with the selfsame rage
once hunted through the dark, how you still meaner
than a cat sunk your nails into three hearts.
How long ago that is and how lovely you still are.

I've counted the days one by one
and with the best words that I have:
I love you. In you I find a bed.

And it is spring and we are sharing here
the same night with all that that entails.
...

Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,
nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist
en steeds dezelfde dag uitzit. Uitzicht
op bomen heeft ze, in die bomen vogels
en geen daarvan die zijn verwekker kent.

Ik ben al meer dan veertig jaar haar zoon
en zoek haar op en weet niet wie ik groet.
Ze heeft me voorgelezen, ingestopt.
Ze wankelt, hapert, stokt. Ze gaat kapot.

Geen dier, zegt men, dat aan zijn moeder denkt.
Ik lepel bevend eten in haar mond
en weet haast zeker dat ze me nog kent.

Het zullen merels zijn. Ze zingen door.
De aarde roept. Krijgt vloek na vloek gehoor.
...

My mother's near kaput. She's got a hutch,
not quite a box, and sits the same day out
each day on her much pissed-on chair. Can stare
at trees outside, and in those trees are birds
that know not who has once begotten them.

I've been her son now over forty years
and pay her calls and don't know who I greet.
She's read to me aloud, and tucked me up.
She falters, stalls, gets stuck. She's near kaput.

No beast thinks of its mother, so they say.
With trembling hand I spoon food in her mouth
am almost certain she still knows my face.

It must be blackbirds. On and on they churn.
The earth cries out. And curse on curse is heard.
...

We waren niet begaan met wat er stierf.
Een trage stoet, een laatste groet:
het deed ons niets. We waren jong
en hoonden het misbaar van bloemen
en verklede mussen, we liepen door
en leefden onze tijd aan stukken.

De lusten, niet de lasten, en de wereld
een matras. En tussen alle kussen door
een stil besef dat dit het was: het zwelgen,
nu en hier, de wijsheid van het dier.
We waren niet begaan met wat er stierf.

En toen we wakker schrokken in een witte zaal
- ver van de straten en de stoeten -
kwam ons een ondervoede man bezoeken
en wees. We hebben amper opgekeken,
bleven kalm en deden hem verbleken.
...

We felt no ounce of pity for what died.
A slow procession, one last session:
it left us cold. For we were young
and mocked the clamouring of flowers
and dressed-up sparrows, we walked on
and lived our time to pieces.

The sensations, not the obligations, and the world
a mattress. Amidst the blissful kisses, though,
a quiet sense that this was it: revelling,
here and now, the wisdom of an animal.
We felt no ounce of pity for what died.

And when we jerked awake in some white ward
- far from the streets and the processions -
a half-starved man paid us a visit
and pointed. We scarcely raised our eyes,
stayed calm and made the image fade.
...

Beelden, beelden, zo helder en geheim
dat ik op slag verstijfde - elke boom,
het hele bos keek mee. Ik schrok niet eens,
ik viel meteen twee dijen in toen ik
het vond. Pas later kreeg het een verhaal.

Zoals vandaag. Wie graaft mijn glimlach op?
Wie engelt me het bed in? De meisjes
onder mijn matras, die zijn zo snel,
die bliksemen op mijn bevel hun kleren uit,
die heten niet, die leven niet, die zijn

zo weggelegd. Maar 's avonds zie ik soms
dat bos waar ik m'n eerste boekje vond:
een stronk met dijen, schaamgras, lillend licht,
mijn ogen smeulen en de hemel kleurt.
Die middag als een open wond.
...

Pictures, pictures - so clear and clandestine
I instantly grew stiff - each tree, the whole
wood also looked. I was not even scared,
fell at once between two thighs on finding
it. It got a story only later.

Just like today. Who will unearth my smile?
Who will angel me into bed? The girls
under my mattress, they are all so quick,
at my command they lightning off their clothes,
they have no names, they have no lives, they're put

straight away. At times in the evening, though,
I see the wood where I found my first book:
a stump with thighs, curled grass, shimmering light,
my eyes smoulder and the sky glimmers. That
afternoon as an open wound.
...

Vanochtend werd ik wakker in een droom
van iemand die een huid van vlees bewoont.

Ik kon niet vluchten, ik was geen Tsjwang Tse
die had gedroomd dat hij een vlinder was

en zich bij ochtendlicht afvroeg of hij,
Tsjwang Tse, gedroomd had een vlinder te zijn

of dat de vlinder droomde als Tsjwang Tse
te ontwaken, nee, ik was een mens,

een taai skelet met tweeëndertig tanden,
twee handen en een tragisch intellect

dat met een angst voor klokken was behept.
Maar langzaam, bijna heilig, stond ik op,

gaf mijn gezicht een hand en ritste mijn
gedachten dicht. Dit is mijn dag, wist ik.

Hier lonkt een spiegel naar verwonderd licht.
Daar breekt een vlinder uit. En dat ben ik.
...

Hier geen Natureingang.
Geen beek van zilver, gouden zonlicht, zeikgedicht.
Hij gaf niet om de zon.

Maar hoorde hij een klank, zag hij een vlam, dan greep
hij witheet met zijn hand.
Soms stond hij heilig met een schilderij te praten

of plantte hij bezorgd
een snijbloem in de aarde. Een kind van zeventien
met kelders in zijn ogen.

Afkomst verduisterd. Mensen die hem willen doden.
Zijn onbemande mond
die hulpeloos herhaalt wat hem was ingesproken:

`Ik wil een ruiter worden.'
Meer wist hij niet. En wij, wij leerden Kaspar kij¬ken,
wilden zijn hoofd met Duits

verrijken, steenhard Duits dat al zijn schrik verdreef.
Maar het verklaarde niets.
En bastaardprins of niet, gelukkig werd hij nooit.

En nu is Kaspar dood.
En wij, wij leefden hem, beschreven hem in gloedvol
Duits dat niets doorzag.

- Breek alle pennen stuk. Tuig elke letter af.
Er is geen taal die troost,
geen woord dat bloost bij Kaspar en zijn hondendood.
...

Na jaren zwoegen werd ik kleurenblind,
sloeg vonken uit, kreeg klappen, gaf de geest.

Nu sta ik vaal en uitgepraat op straat
en moet steeds denken aan dat lege masker

dat mij zo schaamteloos heeft aangestaard.
Nagepraat. Aanbeden. Stukgemaakt.

De zak. Dat hij niet zag hoe levensecht
ik de tijd uit zijn ogen at. De zak.

Ik gaf hem Hitchcock, borsten, rampen, sikhs.
Ik gaf hem ogen. Oorlog. Noorderlicht.

Maar ik kon gaan. En hij kijkt weer tv.
Straks word ik opgehaald en sterven kilo's

dode uren op de stortplaats met mij mee.
...

Ik ken de droefenis van copyrettes,
van holle mannen met vergeelde kranten,
bebrilde moeders met verhuisberichten,

de geur van briefpapieren, bankafschriften,
belastingformulieren, huurcontracten,
die inkt van niks die zegt dat we bestaan.

En ik zag Vinexwijken, pril en doods,
waar mensen roemloos mensen willen lijken,
de straat haast vlekkeloos een straat nabootst.

Wie kopiëren ze? Wie kopieer
ik zelf? Vader, moeder, wereld, DNA,
daar sta je met je stralend eigen naam,

je hoofd vol snugger afgekeken hoop
op rust, promotie, kroost en bankbiljetten.
En ik, die keffend in mijn canto's woon,

had ik maar iets nieuws, iets nieuws te zeggen.
Licht. Hemel. Liefde. Ziekte. Dood.
Ik ken de droefenis van copyrettes.
...

I know the cheerlessness of copy centres,
of hollow men with newspapers gone yellow,
mothers, bespectacled, with changes of address,

the smell of stationery, of bank statements,
taxation forms, of tenancy agreements,
that ink of nothing saying we exist.

And I saw suburbs, budding and yet dead,
where nameless people would resemble people,
the street near flawlessly looks like a street.

Who do they copy? Who do I copy
myself? Father, mother, world, DNA,
you stand there with your glittering own name,

your head so full of cleverly cribbed hope
of rest, promotion, family, big money.
And I, who caterwaul inside my cantos,

if only I had something new to utter.
Light. Heaven. Love. Disease. Or death.
I know the cheerlessness of copy centres.
...

Voor bijna alles heb ik mij geschaamd.
Mijn nek, mijn haar, mijn handschrift en mijn naam,

de schooltas die ik van mijn moeder kreeg,
mijn vader die zich in een blazer hees,

het huis waar ik voor vriendschap heb bedankt.
Maar nu mijn vader aan vijf slangen hangt,

zijn mond steeds heser over afscheid spreekt,
nu hurkt mijn schaamte in een hoek. Hij stierf

zoals hij in zijn Opel reed: beheerst,
correct, zijn ogen dapper op de weg.

Geen zin in dom geworstel met de dood.
Hoe alles wat ik nog te zeggen had

onder de wielen van de tijd wegstoof.
...

Of almost everything I've been ashamed.
My neck, my hair, my writing and my name,

the satchel from my mother that I'd don,
the blazer that my father would heave on,

the house where offered friendship was refused.
Now that my father though hangs from five tubes,

talks of goodbyes while heaving more for breath,
my shame now crouches out of sight. He died

the way he drove his Opel: quite composed,
correct, his eyes fixed firmly on the road.

No wish to wrestle senselessly with death.
How everything I still had left to say

beneath the wheels of time was blown away.
...

Slaapt ze? Ze slaapt. Na drieëntachtig jaar,
driehonderdvijfenzestig keer per jaar.
haar haar gekamd te hebben, op ik weet niet hoeveel
schoenen door de stad te zijn gelopen,
steeds maar weer die veters, vorken, lepels,
mensen, wat voor mensen, waar dan, slaapt ze.

Ze slaapt en ik, morbide als ik ben, denk aan
haar kam, haar nagelschaar en wenkbrauwstift,
hoe alles, nachtcrème, bankpas, tijdsgewricht,
wordt weggeworpen, uitgewist. En dit,
is dit beschaamde slepen een begrafenis?
Alsof je ongemerkt een munt verliest,

op een verveeld station je krant vergeet, zoiets.
Noem het tragiek, noem het ritme, de tijd,
die vuile carnivoor, zorgt steevast voor een eind
dat stinkt. Maar ze slaapt nu, ze slaapt.
Dus dek haar toe en zorg dat haar vermoeide voeten
nooit meer de straat op hoeven.
...

Asleep? Asleep. At over eighty-three,
and having combed her hair each year three hundred
and sixty-five times, and paced the town
on goodness knows how many pairs of shoes,
with time and again those laces, forks, spoons,
people, what people, where then, she's asleep.

Asleep and I, morbid as I am, think of
her comb, nail-scissors and her eyebrow pencil,
how her night lotion, bank card, juncture all
have been discarded, been erased. And this,
this shame-faced lugging is a funeral?
As if unnoticed you mislay a coin,

forget your paper on some weary station.
Call it tragedy, call it rhythm, time,
that filthy carnivor, ensures there is an end
that stinks. But now she is asleep, asleep.
So tuck her in and make sure that her weary feet
no more will ever tread the street.
...

Auto's, gelach, geraas: alles slaat dood
op zeven hoog. Ik hoor alleen mijn spons

en het verkouden knarsen van het staal
waaraan ik hang. Soms spreekt een wolk mij aan

of gis ik wat een meeuw te zeggen heeft.
De mensen: druk, wit, stemloos, achter glas.

Op acht hoog kunst. Dat meisje daar, die lach,
wie heeft haar zo bespied dat ze immuun

voor complimenten mijn gezicht in kijkt?
En wanneer breekt die sperwer uit zijn lijst?

Ik hang hier als een ijskoud schilderij
waar niemand oog voor heeft, ik poets en zwoeg

en maak het uitzicht vrij - schilder er maand
na maand onvervalste wolken bij.

Kijk. Daar kruipt al zonlicht in mijn lijst.
...

Cars, laughter, noises: everything's shut out
at seven up. All I can hear's my sponge

and squeaky wheezing from the steel from which
I hang. Sometimes a cloud will speak to me

or I guess what a seagull has to say.
The humans: busy, pale, mute, behind glass.

At eight up art. That girl inside, that laugh,
who's spied on her so much that she, immune

to compliments, thus looks into my face?
When does that sparrow-hawk escape its frame?

I'm hanging like an ice-cold painting here
that no one notices, I toil and wipe,

unveil the view once more - remake month
after month the unfaked clouds again.

Look. Now sunlight creeps into my frame.
...

Ik in haar bed en zij die net de douche uit stapt.
Zoals zij loopt, zoals zij naakt het huis door loopt,
zo zullen vanaf nu de dagen lopen.

Ze neuriet en ik zit verhevigd in haar bed.
Oneindig wakker is ze, warm en trots en zacht
en mooi, zo mooi, ik krijg het niet gezegd.

Het is een liefde die. Het is een wonder dat.
En alles wat ik van een lichaam heb verlangd
staat voor mijn ogen naakt te zijn,

naakt en van mij. De kamer hijgt nog, geil en stroef.
Haar mond, gemaakt voor lippen en genot, haar mond,
haar stoere, hoogverheven mond staat goed.
...

The Best Poem Of Menno Wigman

NACHTRUST

Avond. Twee tuinen verder woedt het voorjaar
en sluipen kapers door het donker.
Ergens vechten nagels om een vacht. Gekrijs
om kruimels liefde. Stukgebeten oren.
De krolse oorlog van een voorjaarsnacht.

Bijna vergeten hoe ik met dezelfde woede
door het donker joeg, hoe jij nog valser
dan een kat je nagels in drie harten sloeg.
Wat is het lang geleden en wat blijf je mooi.

Ik heb de dagen één voor één geteld
en met de beste woorden die ik heb:
ik hou van je. In jou vind ik een bed.

En het is lente en we delen hier
dezelfde nacht met alles wat dat zegt.

Menno Wigman Comments

Close
Error Success