De Stadsuil Poem by Benedicte Rousere

De Stadsuil

Wanneer in schemer, koolvuur smeult,
verstopt in kelders kreupelhout,
de rook strelend in de lucht hangt.
Wanneer de kwart.aan amper schijnt,
neonlichten de nacht verblinden
zoals nachtschade de doornen kleurt.
Dan boven gedempt verkeerslawaai
hoor ik de uil, en bij z'n roep
Zittend in m'n stoel, trilt m'n hand.
Als een boor drilde hij z'n weg
om te broeden in brokstukken,
bebloede klauwen bedekt met bont.
De tijd leek hem te lokken
weg van het lege platteland
naar jacht in een leegstaand pand.
Waar de ooit de kroonluster zwaaide
en blonk in dansende ogen
speurt nu een pupil, zwart omrand.
Waar op zijden schoenen minnaars
slopen, bespikkeld met diamant,
opent nu een stille vleugel
En als een bliksemschicht die valt
duikt hij neer in de lege traphal
maakt een rappe muis zomaar van kant...

COMMENTS OF THE POEM
READ THIS POEM IN OTHER LANGUAGES
Close
Error Success