EEN GEDICHT VOOR HENRY HUDSON Poem by Toon Tellegen

EEN GEDICHT VOOR HENRY HUDSON

Mijn vader
lag in de armen van mijn moeder,
mijn broers kwamen de kamer in, vroegen:
‘Storen wij?'
trokken hem overeind,
schudden hem door elkaar, schreeuwden:
‘Wij willen het nu weten! Storen wij?!' -
maar mijn vader rukte zich los
en verdween in mijn moeder -
filosofen schoten toe, zochten hem tevergeefs,
morrelden aan de poorten van het bestaan,
maakten in arren moede elkaar maar iets wijs

en water viel op de schrale hei en tussen het wilde koren,
glinsterde in de zon, lokte vlinders, wolven,
baande zich een weg langs dennen en berken,
leste de dorst van Indianen, beren en herten,
verbaasde zich over de reusachtige stilte
van de wereld om zich heen,
voerde dood en leven en ongewisheid met zich mee,
struikelde afgronden in,
kolkte van woede en vermande zich weer,
wrong zich door kloven en spleten,
riep naar de kleinste en timideste beken:
‘Ik ben een rivier. Kom met me mee!'
‘Waarheen?'
‘Naar zee!'
‘Naar zee?'
‘Ja, naar zee!'
zag de zee
en zuchtte zoals alleen een rivier kan zuchten
van onsterfelijkheid en melancholie,
vlijde zich in de armen van een baai en sliep -
tot op een dag - schepen zeilden langs
en de rivier ontwaakte, sperde zijn mond wijd open,
riep: ‘Hudson! Jij! Ik heb op je gewacht! Ik wist dat jij zou komen!'
en Henry Hudson zette zijn kijker aan zijn oog
en riep naar zijn matrozen:
‘Hier moeten we zijn!
Hier is het middelpunt van de wereld.'

Ik ging naar het middelpunt van de wereld,
ik wilde Thelonious Monk horen,
John Coltrane in de Village Vanguard,
de eerste noten van ‘My favourite things,'
ik wilde op een maandagavond naar Minton's Playhouse gaan
en Charlie Parker ‘I got rhythm' horen spelen in telkens een andere toonaard,
ik wilde de Yankees zien, Casey Stengel uit de dug-out zien komen,
de Moose call voor Moose Skowron horen,
Mickey Mantle een eerste pitch in de bleachers zien slaan -
ik zou nooit tegen ze wedden -
ik wilde Roosevelt Grier, Sam Huff, Dick Modzelewski, Jim Katcavage en Andy Robustelli
onwrikbaar op de goal line in Yankee Stadium zien staan,
de Rocky Mountains van mijn verbeelding,
ik wilde voor een nickel naar Staten Island varen
en op Coney Island een voetlange hotdog van Nathan's eten,
met chilli, pickles en extra mosterd,
ik wilde het reuzenrad zien en langs de boardwalk lopen
als de vader en moeder van Delmore Schwartz in een onverantwoorde droom ooit eens,
ik wilde dichter worden, meisjes met verwondering naar mij laten kijken,
met hun hand door mijn haar laten gaan,
naast een van hen wakker worden, op een ochtend, voor het eerst,
ik wilde lopen waar Jimmy Walker had gelopen
aan het hoofd van de Politie Parade,
ik wilde hem laten weten, mijn Jimmy, mijn held,
dat ik in december nog altijd van hem zou houden,
al moest ik baggeren door de sneeuw,
ik wilde LaGuardia - o Fiorello, wat houd ik ook van jou! -
de dagelijkse strips voor de radio horen lezen,
ik wilde denken:
hier slenterde Joe Louis, de ‘great brown bomber', tussen twee gevechten,
en hier Ray Robinson in zijn suikerroze jas, meisjes aan elke arm,
ik wilde naar Jack Dempsey knikken door het raam van zijn restaurant
en langzaam, heel langzaam tot tien tellen, zonder dat hij dat zag,
ik wilde als Walt Whitman een barbaarse kreet over de daken van Brooklyn
laten schallen,
ik wilde mijn ogen dichtknijpen en Lafayette toejuichen in Fulton Street
en de GI's langs Broadway in '45,
ik wilde in het middelpunt van de wereld zijn,
dat eerst in de Voorstraat lag, op de hoek van de Asylstraat
in een klein stadje in Nederland,
maar nu van plaats veranderd was en hier lag -
ik was een jongen, droeg nog verkeerde kleren,
bloosde telkens als iemand mij iets vroeg -
ik wilde subways langs zien rijden, ‘whole cars', ‘whole trains'
van Dondi, Lee, Rammellzee en Blade,
ik wilde weten waar e.e. cummings zijn hoofdletters aan de vuilnisman meegaf,
waar Dutch Schultz met zijn hoofd op een bord zijn laatste adem uitblies
en waar op 15 juni 1904 - de dag voor Bloomsdag - de General Slocum verging
met meer dan duizend kinderen aan boord,
de grootste ramp in de zevenennegentig jaar die volgden,
ik wilde hier zijn, hier blijven, ver weg
en nergens zó dichtbij

en het werd ochtend,
filosofen sliepen hun hermetische slaap,
de zon kwam op
en mijn vader kroop tevoorschijn uit mijn moeder,
werd groot, grijs en almachtig,
strekte zijn armen uit -
mijn broers, mijn miljoenen broers,
krioelden aan zijn voeten -
en hij zei:
‘Nee, jullie storen niet.
Jullie storen nooit,'

en mijn moeder weende.

COMMENTS OF THE POEM
READ THIS POEM IN OTHER LANGUAGES
Close
Error Success