LATEN WE ELKAAR AAIEN
We beginnen gewoon met dichterbij komen, persen de lucht langzaam weg
tussen onze lichamen als weckpotten met zomergroente die zich vacuüm zuigen
langer houdbaar begint altijd met het aanbrengen van een etiket
ga dan door je knieën, plant mijn hand op je haren, wrijf heen en weer
een omgekeerde manier van zwaaien totdat je lokken kleverig worden.
We kennen mensen die zelfs voor zwaaien te ver van elkaar af staan
waar het wegwuiven een vorm van ademhalen is geworden, de lucht moet
altijd schoon verklaard zijn voordat ze verder kunnen: dit mag ons niet gebeuren.
Negen was je toen je zei dat je als de badkuip was, iets wat altijd een ander nodig
zou hebben om zichzelf te vullen, ik liet het water lopen en je toonde mij waar
het gat zich bevond, hoe het bovenin was begonnen, daarna gevallen
een konijn werd in een museumfilmpje in de diepte gegooid, om te kijken welke
dieren net als katten op hun pootjes terechtkomen, nee, het raakte de grond
leek even één te worden met de structuur van de vloer tot het opveerde
dit noemden ze kunst maar jij schreeuwde: raak me hier aan, nu
want ik was toch de man uit wie je was samengesmolten als een weckpot
die openbarstte door te veel aan warmte, die de gaten zou kennen als
kruipruimtes in een uitgehold brood.
Ik laat je zo lang dwalen, steeds opnieuw het bad vullen tot op een dag je huid
het water niet meer opneemt, in iedere plooi een schaduw komt die je vreemd is.
Kom toon je nu niet zo naakt, dit vlees is mij vanaf de geboorte al vreemd geweest
maar laat me je wel aaien, dat hoort erbij zeggen ze, het mag.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem