De zinderende stad;
onder de bomenschaduw
ritselend het plataneblad
dat door de plotselinge
koele wind is opgeschrikt -
dan zijn zij stil opnieuw
en rond mijn enkels hebben
enkele zich neergeschikt.
Het is zo weids, zo luw
zo ongelijk aan het schuw
gehucht, waar ik in mijn
gedachten opgesloten zat
door het nabije
en definieerbare
van elk gerucht; maar hier
in de vrije ruimte
van een stad met ver en
onophoudelijk verkeer
dat in zijn eigen stroom zich dempt
en al het andere geluid
egaliseert, kan ik mijn denken
als een kudde laten
gaan en laten weiden
op de draagwijdte, de adem
van het steedse, terwijl ik zelf
verstrooid ze hoedend aan
de esplanade zit
opgaande in dit kalme grote
mijn voeten staande toch
in blad van de plataan.
...
Read full text