Gods kind had blokken in zijn boezelaar,
Waarmee het in de wolken had gespeeld.
Maar toen zij op wou bergen, moe, verveeld,
Zag ze in de doos en wist niet hoe ze daar
In passen moesten, keurig ingedeeld.
Want God was streng, maar sliep - dus geen gevaar.
Zij liet ze vallen, zag er niet meer naar
Om en ging vlug naar een mooi engelbeeld.
De blokken vielen door een leeg heelal
En kwamen op een leege wereld, waar
Ze bleven zooals ze er heen geworpen.
De meeste sprongen stuk tot berg en dal;
En die heel bleven vormden hier en daar
De groote steden en de kleine dorpen.
...
Read full text