Toon Tellegen Poems

Hit Title Date Added
1.
Een man wilde over liefde spreken

Een man wilde over liefde spreken.
"Nee . . . ! Niet over liefde . . . !" riep iedereen
en iedereen ging weg of sloeg hem neer,
en de dood keek door een raam:
"Over liefde . . . ? Belachelijk . . . !"

Die man trok vleugels aan,
gelijk die van een lijster,
maar groter en radelozer,
en weg vloog hij en zong over de liefde
en de liefde zong over hem, ruiste over hem -

nooit zo verdrietig ging slapen een man
op de achteloze aarde.
...

2.
A man wanted to talk about love

A man wanted to talk about love.
"No . . . ! Not about love . . . !" everyone cried
and everyone departed or knocked him down,
and death peered through a window:
"About love . . . ? Ridiculous . . . !"

That man put on a pair of wings
like those of a thrush,
but larger and more despairing,
and away he flew and sang about love
and love sang about him, murmured about him -

never did a man go to bed more sorrowful
on the indifferent earth
...

3.
OP DE WIJZE VAN KAVAFIS

Op straat kwamen de filosofen elkaar tegen.
Het was een speling van het lot -
niet een van hen ontbrak.

Fundamentele vragen werden niet beantwoord, die dag,
zoals: wie is gelukkiger dan wie,
en waartoe dient het geluk en waartoe de eenzaamheid.

Lange tijd stonden ze bij elkaar.
Ze hielden een parasol boven elkaars hoofd
en besloten niet te versagen
en nog vuriger en nog accurater naar niets te verlangen.
Ze knikten.
Toen dachten ze aan iemand - elk dacht aan een ander -
en sloegen hun ogen neer.

Ze groetten elkaar en vervolgden hun weg.
...

4.
AFTER CAVAFY

The philosophers ran into one another in the street.
It was a whim of fate -
not one of them was missing.

Fundamental questions were not answered that day,
such as: who is happier than who,
and what purpose does happiness serve and what purpose loneliness.

They stood there together for a long time.
They held parasols over one another's heads
and decided not to flinch
and even more fervently and even more accurately to long for nothing.
They nodded.
Then they thought of someone - each of them thought of someone else -
and cast down their eyes.

They greeted one another and continued on their way.
...

5.
Ga niet weg, dacht ik

Ga niet weg, dacht ik
en niemand ging weg.
"Ga niet weg," fluisterde ik
en niemand ging weg.
"Ga toch niet weg!" zei ik
en niemand ging weg.

Toen riep ik het, gilde ik het,
en de verte weerkaatste mijn woorden:
"Niet weg . . . Niet weg . . . "
en niemand ging weg.

Het werd avond,
het was heel stil
en ik dacht:
nu gaat er iemand weg . . .
Maar er ging niemand weg.

Toen wist ik het zeker.
...

6.
Don't leave, I thought

Don't leave, I thought
and no one left.
"Don't leave," I whispered
and no one left.
"Please don't leave!" I said
and no one left.

Then I shouted it, screamed it,
and the distance echoed my words:
"Don't leave . . . Don't leave . . . "
and no one left.

Evening came,
it was very quiet
and I thought:
now someone will leave . . .
But no one left.

Then I was sure of it.
...

7.
In het begin was er tumult

In het begin was er tumult.
Iemand riep om stilte,
om ijver
en om liefde toen.

Een man stond op en zei:
"Hoe kan ik ooit duidelijk maken dat ik u eigenlijk,
eigenlijk . . . "
"Wat?" riepen de mensen om hem heen. "Wat?"
" . . . niet veracht?"

en die man kuste kinderen die uit de hemel vielen,
vrouwen die langs stroomden in trage modderstromen,
moeders in hun glinsterende cocons,

en onder de mensen barstte de eenzaamheid los,
als onweer in de zomer.
O zomer!
...

8.
In the beginning there was tumult

In the beginning there was tumult.
Someone called for silence,
for diligence
and then for love.

A man stood up and said:
"How can I ever make it clear that I really,
really . . . "
"What?" the people around him cried. "What?"
" . . . do not despise you?"

and that man kissed children falling from the sky,
women flowing past in slow muddy streams,
mothers in their glistening cocoons,

and among the people loneliness erupted,
like thunder in summer.
O summer!
...

9.
MIJN VRIEND

Mijn vriend,
hij staat aan de rand van een afgrond,
maar hij wankelt niet,

zij die beweren dat hij wankelt
weten niet wat wankelen is,

het lijkt op wankelen,
het lijkt zelfs op vallen,
op ergens zich nog aan vast willen klampen,
maar het is het niet,

het is ook geen schreeuwen
wat hij doet,
geen terugdeinzen, geen aarzelen, geen omkijken,

het is iets nieuws,
iets anders,
iets wat niemand kan -

mijn vriend,
zijn blauwe hemel,
zijn slechtvalken ongeduld,
zijn grauwe winters zuivere onsterfelijkheid,

hij wankelt niet.
...

10.
MY FRIEND

My friend,
he's standing on the edge of a precipice,
but he doesn't falter,

those who claim he's faltering
don't know what faltering is,

it looks like faltering,
it even looks like falling,
like wanting to cling to something,
but it isn't,

it isn't shouting either
what he does,
nor recoiling, nor hesitating, nor looking back,

it's something new,
something different,
something no one else can do -

my friend,
his blue heaven,
his peregrine impatience,
his ash-grey, winter-clear immortality,

he doesn't falter.
...

Close
Error Success