Elly de Waard

Elly de Waard Poems

Ruis, branding, waai o ondoorgrondelijke
wind en effen voor mij het geluid van

zoveel woorden, zoveel loos gepraat dat
zich in mijn hoofd bevindt, een dictatuur

van timbres, intonaties, flarden taal
van anderen, tot gek makens toe

echoënd, allemaal, hun graffiti
op de muren van mijn ziel, een straf van

god, een dodencel, waarin ik de uren
die ik nog te gaan heb tel, in dat kaal

vertrek en de lachmachine is er
altijd aangezet - o branding,

golven, spoel zo mogelijk met geweld
dit strand schoon, opdat overblijven kan

het witte, weer ontvankelijke zand
waar zon of water, schaduwwolken of

een neersuizende wind zijn eendere
altijd andere geheim in schrijven kan
...

Crash, breaking surf, blow oh unfathomable
wind and smooth out for me the sound of

so many words, so much empty talk that
is lodged in my head, a dictatorship

of tonalities, intonations, shreds of language
spoken by others, enough to drive a person crazy

echoing, all of them, their graffiti
on the walls of my soul, a punishment from

god, a cell on death row, in which I count
the hours I still have to go, in that bare

room and the laughing machine is
always on - oh breaking surf,

waves, wash if possible pound
this beach clean, so that what can remain

will be the white sand receptive again
in which sun or water, shadow-clouds or

a swooping down wind can write
its same always other secret
...

Tegen de avond, als het gegil
van de dag wegsterft en het strand
leeg raakt, de zee kalmer wordt
met een brede langgerektheid
die zich als een verzadigdheid
van alle geluid van je meester maakt

en zich een zachte nevel
als grijs leder over alles uitspreidt

dan aan te schuiven op een verloren
zitplaats tussen de gedempte stemmen
en het deinen van het water
en bij het getij van beide
dan weer wel en dan weer niet
te horen
...

Toward evening, when the shouting
of the day dies away and the beach
empties, the sea becomes calmer
gains a broad elongation
like a saturation
with all the noise that takes hold of you

and spreads out a gentle mist
like gray leather over everything

then sitting down in a forlorn
spot among the muted voices
and the rolling of the water
and then, and then again not
belonging to
the tide of both
...

Duisternis dompelt onze dagen
in ongemak van regen
en van klagen; ook hier is het

november en de bomen, hoewel
zuidelijker, kalen
of vervalen in hun eeuwig groen.

Maar het is pas in de nachten
die zoveel intenser zwart zijn
door hun lengen, door het zwarte

van de gaten rond hun sterren
dat de jaren zich verengen
om hun droefenis en spijten

te herhalen: niet de liefde
was te zwaar, maar ons eigen
onvermogen was te groot om haar

te dragen, onschuld is onvoldoende
om ons vrij te pleiten.
...

Darkness submerges our days
in the inconvenience of rain
and complaining; here too it is

November and the trees, although
more southerly, grow bare
or fade in their eternal green.

But it's not until in the nights
so much more intensely black
due to their lengthening, to the black

of the holes around their stars
that the years narrow
on the sadness and regrets

they repeat: it was not the loving
that was too heavy, but our own
incapacity to bear it was

too great, innocence is insufficient
to acquit us.
...

En in een tijd, waarin een dichter
geworden is tot curiosum, tot
marginaliteit, een tijd ook
waarin talen (als de zijne)
zich vermengen of verdwijnen

toch dichter te willen zijn
van zo'n historisch rijk, maar klein
en koppig taalgebied, dat van
een eigenzinnigheid van zeggen is
en in benoemen authentiek.
...

In an age in which poets
have been reduced to novelties, to
marginality, an age, too,
in which languages (like my own)
either merge or vanish

to want to be a poet anyway
in such a historically rich, but tiny
and stubborn language that
has a way of saying things all its own
and in making reference is authentic.
...

Juli en onverdraaglijk herfstig
is de lucht. Zoveel bladeren
van het berkje dwarrelen nu al
in de vroegte samen tegen
de stenen traptreden. Hun geel
vergaderen is verontrustend.

Een koude wind om de hoek valt
van het huis, waar ik al bladerend
in mijn geschriften in de ochtend
zit en huiver en mij niet thuis
voel, toch blijf weigeren
naar elders te vluchten.

En mijn hart is moe en het hangt
als een rood blad aan zijn aderen
en zijn grote geruchten zijn
geluwd, zijn in de koude wind
weggeschuwd en het houdt zich klein
en hurkt weg in voorzichtig zuchten.
...

July and intolerably autumnal
is the sky. So many leaves
from the little birch clustering already
in the earliness against
the stone steps. Their yellow
assembly is unsettling.

A cold wind falls around the corner
of the house where while leafing through
my notebooks in the morning
I sit and shiver and do not feel
at home, but still keep refusing
to escape to somewhere else.

And my heart is tired and hangs
like a red leaf on its veins
and its big noise has
been cooled, eschewed away
in the cold wind and it is making itself small
and huddles in a careful sighing.
...

De zinderende stad;
onder de bomenschaduw
ritselend het plataneblad

dat door de plotselinge
koele wind is opgeschrikt -
dan zijn zij stil opnieuw

en rond mijn enkels hebben
enkele zich neergeschikt.
Het is zo weids, zo luw

zo ongelijk aan het schuw
gehucht, waar ik in mijn
gedachten opgesloten zat

door het nabije
en definieerbare
van elk gerucht; maar hier

in de vrije ruimte
van een stad met ver en
onophoudelijk verkeer

dat in zijn eigen stroom zich dempt
en al het andere geluid
egaliseert, kan ik mijn denken

als een kudde laten
gaan en laten weiden
op de draagwijdte, de adem

van het steedse, terwijl ik zelf
verstrooid ze hoedend aan
de esplanade zit

opgaande in dit kalme grote
mijn voeten staande toch
in blad van de plataan.
...

The shimmering city;
down in the shade of trees
rustling the sycamore leaves

are set in motion by a
sudden cooling gust of wind -
then once again are still

and around my ankles
some have settled.
Expansive, this, so balmy

and so unlike the timid
settlement, where I
was shut up in my thoughts

because of the closeness
and definability
of every sound; but here

in the open space
of a city with distant
and uninterrupted traffic

that mutes itself in its own flow
and equalizes
all other sounds, I can let my thoughts

go like a herd
and let them graze
on the scale, the breath

of what is urban, while I myself
scattered, guarding them, sit
on the esplanade

absorbed in this peaceful size
my feet, planted as they are
in the leaf of the sycamore tree.
...

Nu al het stof is neergeslagen
en elk zich teruggetrokken heeft
op zijn verdriet, in een niet klagen

maar in aanvaarden zeker niet,
nu klopt alleen nog in de nacht
mijn hart zo wild en koortsloos en

van dromen over loopt mijn slaap
terwijl ik lig als op een bed
dat onder stroom staat en waaruit

ik telkens wakker schiet.
De afnemende maan ligt als
een schelpje in de zanderige

wolken van de ochtend, één schelp
die blootgewoeld is en die
parelachtig glanst. En ongeluk

duurt niet een leven lang
en over ons welft zich eenzelfde
hemel die ook ons herkansing biedt.
...

Now all the dust has settled
and each has withdrawn
into each one's sorrow, into a not complaining

but into acceptance, certainly not,
now the only thing that knocks at night
is my heart so wild yet without fever and

my sleep is overrun by dreams
while I lie as on a bed
that is electrified and from which

I keep bolting awake.
The waning moon lies like
a little shell in the sandy

clouds of the morning, one shell
that has been fitfully laid bare and that
shines pearlescent. And unhappiness

doesn't last a lifetime
and over us spans one and the same
sky that also offers us another chance.
...

Nu ik onder de linde lig -
omhoog houd ik mijn koel gezicht,
mijn ogen rusten in het vele
van haar lommerrokken - zie ik

dat zij een zuster is, bij wie ik
dagelijks ongestoord kan spelen.
Schaduw geeft haar gebladerte
tegen het al te felle licht,

weg houdt zij met haar fladderend
blad van mij het streng gevaderte
dat de wereld is. Maar als het
avond wordt en de wereld stil

gevallen is, verwordt haar blader-
moederkroon, die daar zo dicht
over mij woont, tot een gewicht,
waarvan ik mij bevrijden wil

om bij de opkomende maan
en bij de zwaluwen te zijn, die
piepend in de hoge lucht langsgaan;
wil ik onder haar boom vandaan.
...

Now I'm lying under the linden -
I keep my cool face upturned,
my eyes rest in the ampleness
of her folious skirts - I see

she is a sister, with whom I
can play every day undisturbed.
Her greenery offers shade
from the overly bright light,

and she defends me with her fluttering
leaf from the stern father
that the world is. But when
evening comes on and the world

has fallen silent, her feathery-
motherly crown, living so close
above me, transforms to a weight
from which I wish to free myself

so as to be near the rising moon
and near the swallows twittering
as they pass high in the sky;
I want to get out from under her.
...

Alleen nu omgeven nog
door licht roesten de bossen

naast een rijzende zon
die de voor het eerst bevroren

velden, waar ze ze tussen de
takken en hun schaduwen door

aanraken kan, schoon strijkt
van rijp, beduimeling

van gras, als met een vinger
op een ruit van ijs en glas

en die met het overstijgen
van de bossen (spoedig

zullen nevels uit de kronen
oprijzen en verdampen)

steeds lagere weiden bereikt
ze ontdooiend tot

een intens en stralend groen
waaruit de herademing spreekt

het overleefd te hebben.
Het gele blad

van de ahorn is afgevallen
aangetast, alsof de pen

van de maker bij het
tekenen van de nerf

in inkt er op is uitgespat
...

Only surrounded now
by light the woodlands rust

by the rising sun
that reaches fields, frozen

for the first time, wherever between
branches and their shadows

it can touch them, wipe
away the frost, thumbing through

the grass, as with a finger
on a pane of ice and glass

and that in passing above
the woodlands (soon

mists will rise up from the
treetops and evaporate)

will reach fields lower down
thawing them to

an intense and radiant green
that will breathe in relief

of having survived.
The yellow leaf

of a maple has fallen off
tainted, as if the pen

of the maker in
drawing its veins

had spattered it with ink
...

Zo bang was ik dat het blauw
aan de zon voorbij zou
drijven, de onafzienbare
donkere bossen

waarover de wolken
in schaduw oplossen
mij in mijn zwartgalligheid
zouden stijven -

maar nu en dan zichtbare
zon, u vraag ik met klem:
waar is toch mijn onafzienbare
somberheid om?
...

So afraid was I that the blue
would drift past
the sun, and the interminable
gloomy forests

over which the clouds
dissolve in shadow
would reinforce
me in my black biliousness -

but now and then visible
sun, I ask you straight out:
what is my interminable
somberness all about?
...

The Best Poem Of Elly de Waard

Ruis, branding, waai o ondoorgrondelijke

Ruis, branding, waai o ondoorgrondelijke
wind en effen voor mij het geluid van

zoveel woorden, zoveel loos gepraat dat
zich in mijn hoofd bevindt, een dictatuur

van timbres, intonaties, flarden taal
van anderen, tot gek makens toe

echoënd, allemaal, hun graffiti
op de muren van mijn ziel, een straf van

god, een dodencel, waarin ik de uren
die ik nog te gaan heb tel, in dat kaal

vertrek en de lachmachine is er
altijd aangezet - o branding,

golven, spoel zo mogelijk met geweld
dit strand schoon, opdat overblijven kan

het witte, weer ontvankelijke zand
waar zon of water, schaduwwolken of

een neersuizende wind zijn eendere
altijd andere geheim in schrijven kan

Elly de Waard Comments

Close
Error Success