Ruis, branding, waai o ondoorgrondelijke
wind en effen voor mij het geluid van
zoveel woorden, zoveel loos gepraat dat
zich in mijn hoofd bevindt, een dictatuur
van timbres, intonaties, flarden taal
van anderen, tot gek makens toe
echoënd, allemaal, hun graffiti
op de muren van mijn ziel, een straf van
god, een dodencel, waarin ik de uren
die ik nog te gaan heb tel, in dat kaal
vertrek en de lachmachine is er
altijd aangezet - o branding,
golven, spoel zo mogelijk met geweld
dit strand schoon, opdat overblijven kan
het witte, weer ontvankelijke zand
waar zon of water, schaduwwolken of
een neersuizende wind zijn eendere
altijd andere geheim in schrijven kan
...
Crash, breaking surf, blow oh unfathomable
wind and smooth out for me the sound of
so many words, so much empty talk that
is lodged in my head, a dictatorship
of tonalities, intonations, shreds of language
spoken by others, enough to drive a person crazy
echoing, all of them, their graffiti
on the walls of my soul, a punishment from
god, a cell on death row, in which I count
the hours I still have to go, in that bare
room and the laughing machine is
always on - oh breaking surf,
waves, wash if possible pound
this beach clean, so that what can remain
will be the white sand receptive again
in which sun or water, shadow-clouds or
a swooping down wind can write
its same always other secret
...
Tegen de avond, als het gegil
van de dag wegsterft en het strand
leeg raakt, de zee kalmer wordt
met een brede langgerektheid
die zich als een verzadigdheid
van alle geluid van je meester maakt
en zich een zachte nevel
als grijs leder over alles uitspreidt
dan aan te schuiven op een verloren
zitplaats tussen de gedempte stemmen
en het deinen van het water
en bij het getij van beide
dan weer wel en dan weer niet
te horen
...
Toward evening, when the shouting
of the day dies away and the beach
empties, the sea becomes calmer
gains a broad elongation
like a saturation
with all the noise that takes hold of you
and spreads out a gentle mist
like gray leather over everything
then sitting down in a forlorn
spot among the muted voices
and the rolling of the water
and then, and then again not
belonging to
the tide of both
...
Duisternis dompelt onze dagen
in ongemak van regen
en van klagen; ook hier is het
november en de bomen, hoewel
zuidelijker, kalen
of vervalen in hun eeuwig groen.
Maar het is pas in de nachten
die zoveel intenser zwart zijn
door hun lengen, door het zwarte
van de gaten rond hun sterren
dat de jaren zich verengen
om hun droefenis en spijten
te herhalen: niet de liefde
was te zwaar, maar ons eigen
onvermogen was te groot om haar
te dragen, onschuld is onvoldoende
om ons vrij te pleiten.
...
Darkness submerges our days
in the inconvenience of rain
and complaining; here too it is
November and the trees, although
more southerly, grow bare
or fade in their eternal green.
But it's not until in the nights
so much more intensely black
due to their lengthening, to the black
of the holes around their stars
that the years narrow
on the sadness and regrets
they repeat: it was not the loving
that was too heavy, but our own
incapacity to bear it was
too great, innocence is insufficient
to acquit us.
...
En in een tijd, waarin een dichter
geworden is tot curiosum, tot
marginaliteit, een tijd ook
waarin talen (als de zijne)
zich vermengen of verdwijnen
toch dichter te willen zijn
van zo'n historisch rijk, maar klein
en koppig taalgebied, dat van
een eigenzinnigheid van zeggen is
en in benoemen authentiek.
...
In an age in which poets
have been reduced to novelties, to
marginality, an age, too,
in which languages (like my own)
either merge or vanish
to want to be a poet anyway
in such a historically rich, but tiny
and stubborn language that
has a way of saying things all its own
and in making reference is authentic.
...
Juli en onverdraaglijk herfstig
is de lucht. Zoveel bladeren
van het berkje dwarrelen nu al
in de vroegte samen tegen
de stenen traptreden. Hun geel
vergaderen is verontrustend.
Een koude wind om de hoek valt
van het huis, waar ik al bladerend
in mijn geschriften in de ochtend
zit en huiver en mij niet thuis
voel, toch blijf weigeren
naar elders te vluchten.
En mijn hart is moe en het hangt
als een rood blad aan zijn aderen
en zijn grote geruchten zijn
geluwd, zijn in de koude wind
weggeschuwd en het houdt zich klein
en hurkt weg in voorzichtig zuchten.
...
July and intolerably autumnal
is the sky. So many leaves
from the little birch clustering already
in the earliness against
the stone steps. Their yellow
assembly is unsettling.
A cold wind falls around the corner
of the house where while leafing through
my notebooks in the morning
I sit and shiver and do not feel
at home, but still keep refusing
to escape to somewhere else.
And my heart is tired and hangs
like a red leaf on its veins
and its big noise has
been cooled, eschewed away
in the cold wind and it is making itself small
and huddles in a careful sighing.
...
De zinderende stad;
onder de bomenschaduw
ritselend het plataneblad
dat door de plotselinge
koele wind is opgeschrikt -
dan zijn zij stil opnieuw
en rond mijn enkels hebben
enkele zich neergeschikt.
Het is zo weids, zo luw
zo ongelijk aan het schuw
gehucht, waar ik in mijn
gedachten opgesloten zat
door het nabije
en definieerbare
van elk gerucht; maar hier
in de vrije ruimte
van een stad met ver en
onophoudelijk verkeer
dat in zijn eigen stroom zich dempt
en al het andere geluid
egaliseert, kan ik mijn denken
als een kudde laten
gaan en laten weiden
op de draagwijdte, de adem
van het steedse, terwijl ik zelf
verstrooid ze hoedend aan
de esplanade zit
opgaande in dit kalme grote
mijn voeten staande toch
in blad van de plataan.
...
The shimmering city;
down in the shade of trees
rustling the sycamore leaves
are set in motion by a
sudden cooling gust of wind -
then once again are still
and around my ankles
some have settled.
Expansive, this, so balmy
and so unlike the timid
settlement, where I
was shut up in my thoughts
because of the closeness
and definability
of every sound; but here
in the open space
of a city with distant
and uninterrupted traffic
that mutes itself in its own flow
and equalizes
all other sounds, I can let my thoughts
go like a herd
and let them graze
on the scale, the breath
of what is urban, while I myself
scattered, guarding them, sit
on the esplanade
absorbed in this peaceful size
my feet, planted as they are
in the leaf of the sycamore tree.
...
Nu al het stof is neergeslagen
en elk zich teruggetrokken heeft
op zijn verdriet, in een niet klagen
maar in aanvaarden zeker niet,
nu klopt alleen nog in de nacht
mijn hart zo wild en koortsloos en
van dromen over loopt mijn slaap
terwijl ik lig als op een bed
dat onder stroom staat en waaruit
ik telkens wakker schiet.
De afnemende maan ligt als
een schelpje in de zanderige
wolken van de ochtend, één schelp
die blootgewoeld is en die
parelachtig glanst. En ongeluk
duurt niet een leven lang
en over ons welft zich eenzelfde
hemel die ook ons herkansing biedt.
...
Now all the dust has settled
and each has withdrawn
into each one's sorrow, into a not complaining
but into acceptance, certainly not,
now the only thing that knocks at night
is my heart so wild yet without fever and
my sleep is overrun by dreams
while I lie as on a bed
that is electrified and from which
I keep bolting awake.
The waning moon lies like
a little shell in the sandy
clouds of the morning, one shell
that has been fitfully laid bare and that
shines pearlescent. And unhappiness
doesn't last a lifetime
and over us spans one and the same
sky that also offers us another chance.
...
Nu ik onder de linde lig -
omhoog houd ik mijn koel gezicht,
mijn ogen rusten in het vele
van haar lommerrokken - zie ik
dat zij een zuster is, bij wie ik
dagelijks ongestoord kan spelen.
Schaduw geeft haar gebladerte
tegen het al te felle licht,
weg houdt zij met haar fladderend
blad van mij het streng gevaderte
dat de wereld is. Maar als het
avond wordt en de wereld stil
gevallen is, verwordt haar blader-
moederkroon, die daar zo dicht
over mij woont, tot een gewicht,
waarvan ik mij bevrijden wil
om bij de opkomende maan
en bij de zwaluwen te zijn, die
piepend in de hoge lucht langsgaan;
wil ik onder haar boom vandaan.
...
Now I'm lying under the linden -
I keep my cool face upturned,
my eyes rest in the ampleness
of her folious skirts - I see
she is a sister, with whom I
can play every day undisturbed.
Her greenery offers shade
from the overly bright light,
and she defends me with her fluttering
leaf from the stern father
that the world is. But when
evening comes on and the world
has fallen silent, her feathery-
motherly crown, living so close
above me, transforms to a weight
from which I wish to free myself
so as to be near the rising moon
and near the swallows twittering
as they pass high in the sky;
I want to get out from under her.
...
Alleen nu omgeven nog
door licht roesten de bossen
naast een rijzende zon
die de voor het eerst bevroren
velden, waar ze ze tussen de
takken en hun schaduwen door
aanraken kan, schoon strijkt
van rijp, beduimeling
van gras, als met een vinger
op een ruit van ijs en glas
en die met het overstijgen
van de bossen (spoedig
zullen nevels uit de kronen
oprijzen en verdampen)
steeds lagere weiden bereikt
ze ontdooiend tot
een intens en stralend groen
waaruit de herademing spreekt
het overleefd te hebben.
Het gele blad
van de ahorn is afgevallen
aangetast, alsof de pen
van de maker bij het
tekenen van de nerf
in inkt er op is uitgespat
...
Only surrounded now
by light the woodlands rust
by the rising sun
that reaches fields, frozen
for the first time, wherever between
branches and their shadows
it can touch them, wipe
away the frost, thumbing through
the grass, as with a finger
on a pane of ice and glass
and that in passing above
the woodlands (soon
mists will rise up from the
treetops and evaporate)
will reach fields lower down
thawing them to
an intense and radiant green
that will breathe in relief
of having survived.
The yellow leaf
of a maple has fallen off
tainted, as if the pen
of the maker in
drawing its veins
had spattered it with ink
...
Zo bang was ik dat het blauw
aan de zon voorbij zou
drijven, de onafzienbare
donkere bossen
waarover de wolken
in schaduw oplossen
mij in mijn zwartgalligheid
zouden stijven -
maar nu en dan zichtbare
zon, u vraag ik met klem:
waar is toch mijn onafzienbare
somberheid om?
...
So afraid was I that the blue
would drift past
the sun, and the interminable
gloomy forests
over which the clouds
dissolve in shadow
would reinforce
me in my black biliousness -
but now and then visible
sun, I ask you straight out:
what is my interminable
somberness all about?
...
Ruis, branding, waai o ondoorgrondelijke
Ruis, branding, waai o ondoorgrondelijke
wind en effen voor mij het geluid van
zoveel woorden, zoveel loos gepraat dat
zich in mijn hoofd bevindt, een dictatuur
van timbres, intonaties, flarden taal
van anderen, tot gek makens toe
echoënd, allemaal, hun graffiti
op de muren van mijn ziel, een straf van
god, een dodencel, waarin ik de uren
die ik nog te gaan heb tel, in dat kaal
vertrek en de lachmachine is er
altijd aangezet - o branding,
golven, spoel zo mogelijk met geweld
dit strand schoon, opdat overblijven kan
het witte, weer ontvankelijke zand
waar zon of water, schaduwwolken of
een neersuizende wind zijn eendere
altijd andere geheim in schrijven kan