Ester Naomi Perquin

Ester Naomi Perquin Poems

Wat je kunt: een boom planten in omgewoelde aarde, zien hoe de takken
naar de hemel reiken. Zon. Maan. De hemel die je zelf ooit hebt
vervloekt. Een zomerdag begraven. Door de tijd heen kijken.

Onder de boom staan als het waait, weten waarvoor te weinig woorden zijn.
Te weinig handen. Denken. Water geven. Zien hoe de stammen
langzaam dikker worden, het leven zich een uitweg bloeit.

Hoe ieder voorjaar weer het blad, ieder najaar weer het vallen. Hoe weinig
blijft staan. Hoeveel. Onder die bast de cirkeling van zonderjaren,
ring na ring woedend opgeruimde of intact gelaten kamers,
onthouden gedachten, de lach, de verhalen.

Wat je weet: onder de grond groeit een wirwar van lopers en draden,
vormen een netwerk van minieme signalen, tasten over en weer -
men hecht onzichtbaar aan elkaar, vloeit samen.

Er is niets meer. Er is alles. In de takken hangt de zon, de maan.
Alle bomen dragen namen. En ze groeien. Ze groeien.
Van kruin tot wortels trillend van bestaan.
...

What you can do is plant a tree in fresh-turned earth, see branches
reaching for the sky. The sun. The moon. The sky that you
once cursed. Bury a summer's day. Look through time.

Stand under the tree when the wind gets up, knowing where words fail.
Where hands are not enough. Thinking. Watering the trees.
Seeing trunks slowly thicken as life blossoms a way out.

The leaves that come again each spring and fall in autumn. How little stands
the test of time. How much. Under the bark the years of absence circle,
ring after ring of rooms, cleared out in rage or preserved intact,
remembered thoughts, the smile, the stories.

What you know: below the surface a tangle of runners and threads grows,
forming a network from the slightest signals, feeling its way, touching -
unseen we cling to each other, merging together.

That's all there is. It is everything. The sun dangles from the branches,
the moon. All the trees bear names. And grow. They grow.
From crown to root they tremble with existence.
...

Als je iets moet zeggen over vlees zeg je ‘dit'. Dit is het gedeelte
dat geen ogen heeft en geen naam, dat geen hele dagen op een
zompig stuk gras heeft gestaan, waar je er zelf nog
naar zwaaide toen je kleiner was.

Iemand prikt met de punt van een mes in de rug van je hand, iemand
valt je aan, iemand vraagt naar je hart alsof het iets is
dat best op tafel mag en je besluit er dan maar
een grap van te maken. Niemand lacht.

Pas als je teveel hebt gedronken vertel je het verhaal van het vlees
zoals het werkelijk was. Je zou er het liefst een boer in stoppen
met een dubbelloopsgeweer, een rookkast vol hout.

Maar je vertelt over een scherm, een paneel met drie knoppen,
de grijparm, de reclameman die midden in de nacht
met zijn vrouw wilde vrijen en toen
de volmaakte slogan bedacht.

Een vondst, zeg je, wordt blijkbaar gemakkelijk gedaan
wanneer je er naast ligt. Jezelf er echt in begraaft.
Er is niemand die daar nu op in wil gaan.
...

Tegen de tijd dat de laatste wijn is geschonken staat een man
van tafel op en knielt voorzichtig naast je neer.

Je kunt aan hem ruiken hoe hij later wordt, elke avond, als hij
zijn bord leeg heeft, het van zich afduwt en naar je kijkt,
zijn taal kun je inmiddels wel raden - je kijkt weg
en legt je handen haastig in je schoot.

In Parijs wordt iedere minuut één vrouw gevraagd haar leven
te delen. Daar zitten ze ruim in het bestaan, maken
gemakkelijk plaats, schuiven planken leeg
voor andermans spullen, bellen
hun moeders op van geluk.

Wat je nu zou willen is een indruk achterlaten. Het tafelkleed
met beide handen pakken en het in één beweging
wegtrekken zonder iets te laten vallen.
De mensen die dan klappen.

Maar de man heeft zijn hoofd nu op je knie gelegd en
er zijn gebaren waar je nooit van los komt,
zo vanzelfsprekend blijf je ze maken.

Je aait zijn haar, terwijl je denkt aan iedereen
die je vandaag misgelopen bent en hoe
ze plaatsvervangend aan te raken.
...

Around the time the last wine has been poured a man gets up
from the table and kneels cautiously beside you.

You can smell what he'll be like later, each evening, when he
has finished his meal, pushes his plate away and looks at you,
you can already guess the words he uses - you look away
and hastily lay your hands on your lap.

In Paris a woman is asked to share her life every minute.
Their existences aren't cramped there, they are
quick to budge up, sliding shelves empty
for someone else's things, calling
their mothers with joy.

What you'd like to do now is make an impression. Grabbing
the tablecloth with both hands and whipping it out
in a single movement without knocking
anything over. Everyone clapping.

But the man has laid his head on your knee and
there are gestures you can never escape,
they come to you so naturally.

You stroke his hair, while thinking about
everyone you missed today and how,
vicariously, to touch them.
...

Van heel veel dingen heb ik geen verstand maar wat ik wel
onder de knie gekregen heb dat ziet u hier, ik breng zo
heel wat uren door. U bent nog jong, u denkt misschien
gewoel dat niets te zeggen heeft maar één enkele mier
leeft ongelooflijk hevig.

Het is gewoon dat ik graag kijk en met mijn loep hun gangen na ga,
hun tekens leer lezen, daar weten zij niets van, dat snap ik ook,
ze groeien, ze dragen, ze zoeken naar eten maar toch,
ze merken dat ik zachter word, gestaag.

Vroeger liet ik ze hun worstelingen, nu lukt dat me niet meer.
Af en toe strooi ik zelfs suiker naar beneden,
vul hun voorraad aan. Vroeger speelde ik mijn wetenschap
en nu speel ik voor God.

Soms droom ik dat ik opsta in het zonlicht van de kamer,
dat ik dan opvang, bundel, richt. Zo fel, daar
schrik ik zelf nog van. En snel.
Ze gaan zo snel kapot.
...

Lots of things are well beyond me but what I have
mastered, you see here, I spend a lot of time this way.
You're still young, maybe you think, meaningless
commotion, but a single ant lives a life
of incredible intensity.

It's just that I like to watch and follow their comings and goings
with my magnifying glass, learning to read their signs,
they don't realise, I know that too, they grow, they carry,
they search for food but still, they notice me growing softer.

I used to leave them to struggle, that's too much for me now.
Occasionally I even sprinkle sugar down on them
to top up their supplies. I used to play science,
now I play God.

Sometimes I dream I stand up in the sunlight
of the room, which I then catch, aim. So bright,
it even shocks me. And quick.
They are so quick to be destroyed.
...

Het is me ook wat in de bouwer dat maar door wil bouwen
en in de architect dat lijnen trekt: hele levens schieten
heen en weer over bureaus en altijd zit ze wel
een ruimte dwars, een steentje zus of zo.

Ook ons bedenken ze natuurlijk van te voren: als ze slapen
wonen wij al in hun kamers, behangen hun wanden,
spoken door straten - sommige van ons wensen
dan volgroeide bomen - ze denken ons
natuurlijk nooit zoals we zijn.

In hun ogen hebben we vaak toch andere namen,
bewegingspatronen, goede leefgewoonten,
waarderen we het licht, kopen we nooit
gebloemde gordijnen of kleine
porseleinen beeldjes voor
de vensterbank.

Pas als alles om ons af is raken wij ze vreemd en kijk,
de zon draait volmaakt om ons heen, we kennen
ons eigen gewichtige delen van lakens, ons
bed staat gewoon waar we slapen

en zo zijn we hier thuis: als wij 's ochtends
ontbijt willen maken groeit onder
het ei dat we breken volkomen
volmaakt het fornuis.
...

It's really something: a builder who wants to keep building,
an architect who draws lines. Entire lives shoot back
and forth over drawing boards and always there's
a troublesome space, a brick like this or that.

They imagine us in advance too of course: while they sleep
we're already living in their rooms, papering their walls,
haunting streets - some of us preferring our
trees fully grown - of course they
never imagine us like we are.

In their eyes we often have other names,
patterns of movement, healthy habits,
we appreciate the light, we never buy
floral curtains or small porcelain
figurines to put on
the windowsill.

It's only when everything is complete that we become estranged
and look, the sun rotates around us perfectly,
we make our own beds
and sleep in them

and wake up here at home: when we
go to make breakfast in the morning
a completely perfect stove grows
under the egg we break.
...

Liet me argeloos vallen die dag in andermans leven, andermans
autorijles, boodschappenlijstjes, college, in andermans
aarzelingen, beginnende benen op dansles.

En overal wist ik de weg, ik wandelde talloze wezen
naar propere ouders en leerde een drinkende man
op de duur van zijn glas te vertrouwen,

ik stormde bont en blauw geslagen vrouwen huizen uit,
schuifelde bedelaars kastelen in, liet een kille moeder
tijdig knielen bij een kind dat viel,
was het kind dat viel.

Ik leerde een voetballer in God te geloven als in de klap
tegen de lat, een blinde alles wat hij miste
zonder vragen terug te vinden, ik was
het talent dat de schilder bezat
aan zijn licht te ontkomen.

Alleen het echt vanzelfsprekende te water gaan
van een magere zwemster, 's ochtends vroeg,
in het buitenbad tussen de bomen,
verliep uiterst krampachtig.

Boven het water bleef ze machteloos zweven terwijl ik
teruggleed, opnieuw in beweging, haar huivering
uit, de moed opgegeven, het badpak
al bijna verdwenen.
...

That day I tumbled unsuspectingly into someone else's life, someone else's
driving lesson, shopping list, lecture, into someone else's
hesitations, beginner's legs at dancing lessons.

And nowhere was I lost, I walked countless orphans
to respectable parents and taught a drinking man
to trust that his glass would last,

I stormed bruised and battered women out of houses,
shuffled beggars into castles, made a cold mother
kneel in time beside a fallen child,
I was the fallen child.

I taught a footballer to believe in God like the bang
of the ball on the crossbar, a blind man to find
everything he lacked without asking,
I was the talent the painter had
to elude his light.

Only the totally natural dive
of a skinny, early morning swimmer,
in the outside pool between the trees,
came out extremely forced.

Powerless, she floated over the water while I,
losing heart, slid back, in motion again, out of her
shiver, the swimming costume
almost vanished already.
...

Ik was er niet bij die nacht. En als ik erbij was dan wist ik dat niet.
Dat er werd gedronken, je hoort wel eens wat, dat ze
verkeerde dingen deden heb ik nu pas begrepen.

Ik had geen idee wat er speelde, trouwens iedereen die ik
daar zag heeft me erbuiten gelaten vanwege
dat ik er niet was. Niet tijdens die nacht.

Wat die vrouw betreft zou ik het niet precies weten. Ik heb haar
nooit gekend en als ik haar kende dan zou ik niet vaak
aan haar hebben gedacht want de vrouwen
van vrienden vergeet je.

En ook je vrienden vergeet je, die mannen heb ik bijvoorbeeld
niet eerder gezien en omdat ik niet weet wie het zijn,
weet ik niet waar ze waren die nacht.

Maar dingen gebeuren nou eenmaal bij jou en bij mij,
bij volslagen onbekenden, dingen gebeuren
in huizen waar je nooit bent geweest.

Misschien was het een plantenbak. Die plantenbak viel
horizontaal op haar gezicht en tamelijk hard en
misschien wel verschillende keren maar
ze zeggen zoveel, het was een
opmerkelijk donkere nacht.

Ik weet nog dat ik thuis waar ik dus was
vanuit mijn bed naar buiten keek
en dacht zulk diep zwart
zie je maar zelden.
...

I wasn't there that night. And if I was, I didn't know that.
That they were drinking, you hear things sometimes,
it's only now I realise they did something wrong.

I had no idea what was going on, anyway everyone
I saw there left me out of it because
I wasn't there. Not that night.

As far as that woman goes, I wouldn't know. I never
knew her and if I'd known her I wouldn't have
thought about her much because if a woman's
a friend's, forget her.

You forget your friends too, those men, for instance. I've never seen
them before and because I don't know who they are,
I don't know where they were that night.

But things just happen at your place and mine,
in the homes of complete strangers, things
happen in places you've never been.

Maybe it was a planter box. That planter box fell
horizontally on her face and fairly hard and
maybe a couple of times perhaps but
people talk so much, it was a
remarkably dark night.

I remember looking out from my bed
at home where I was and thinking
it's not often you see
such a deep black.
...

Omdat ik haar gezicht veel beter heb gekend dan zij het mijne - ik liet haar
eerst een klein beetje verdwijnen, daarna steeds meer tot ook ik
niet zeker wist waar ze gebleven was -

omdat ik haar veel beter heb bekeken dan zij mij en omdat ik meer begreep
van ons, omdat haar gezicht mij vaak zo helder bijstaat twijfel ik soms
of ze me ook gezien had als ik haar niets had gevraagd.
Of ze had bestaan als ik haar door had laten rijden.

Natuurlijk was het liefde - maar liefde is toch niet in staat te liegen, gilt niet
als je zegt: wees stil, raakt geen adem kwijt en bindt mij nergens aan.
Liefde ligt voor je en luistert. Echte liefde wil altijd.

Wat dat betreft weet ik nu beter. Ik zou haar niet zo hebben aangekeken,
ik zou haar anders hebben liefgehad, niet gehaast met beide handen
om haar hals - maar aandachtig, droevig, zacht.
...

Because I knew her face much better than she knew mine - I made her
disappear, a tiny bit first, then more and more until I too
was no longer sure where she had got to -

because I had studied her much more carefully than she me and because I understood more
about us, because her face is often so clear in my mind, I sometimes wonder
if she would have seen me at all if I hadn't asked her something.
If she would have existed if I had let her drive on.

Of course it was love - but love is incapable of lying, it doesn't scream when you say,
hush, it doesn't run out of breath and doesn't tie me to anything. Love
lies down before you and listens. True love is always willing.

As far as that goes, I know better now. I wouldn't have looked at her like that,
I would have loved her differently, not in a hurry with both hands
around her neck - but attentively, mournfully, gently.
...

We zijn modern. Het is de juiste eeuw voor liefde niet
en nergens staan nog vrouwen op de torens,
uit te kijken. De laatste ridder
stierf aan syfilis.

We zijn de wapperende vlaggen verleerd,
het fluisteren tussen de stenen,
gezang en bloemennamen.

We werpen elkaar in het passeren
haastig lichaamsdelen toe.
Alles gaat goed.

Vergrendel deze deuren als het
donker wordt. Blijf bij me.
Zet je paard op slot.
...

18.

We are modern. It's not the right century for love and
there are no women anywhere standing on towers
looking out. The last knight
died of syphillis.

We have lost the knack of fluttering banners,
the whispering between the stones,
song and the names of flowers.

Hastily we toss each other
body parts in passing.
All is well.

Bolt these doors when it
grows dark. Stay with me.
Lock your horse.
...

Vanmorgen werd ik opgebeld door een mevrouw die wilde weten
of ik Richard was. Dit was nooit eerder voorgekomen.

Veel mensen hebben gewild dat ik iemand was, soms iemand
die ik was geweest, soms iemand die ik zou moeten zijn
- kijk eens angstig, praat als een non, spring op en neer,
kun je niet een keer een rokje dragen -
maar Richard heeft niemand mij gevraagd.

(Ondertussen ruist de stilte van twee kanten in een oor.)

Er is een ander leven vóór ik antwoord geef, volop mogelijkheden,
voor hetzelfde geld had het materiaal waaruit ik besta
een andere vorm of naam. Wat als ik ja zou zeggen,
ja, ik ben het: Richard. Bent u dat moeder?
Wat is het lang geleden.

Zou ik door Richard te worden ook Richard zijn, inclusief lichaam,
ademhaling, geheimen, de manier waarop hij 's ochtends vroeg
zijn veters strikt? Houdt hij bijvoorbeeld van pastinaak?

Zou zijn moeder de verbinding verbreken
of uit standvastigheid
of uit eenzaamheid
of uit gezelligheid
in mij geloven?

Is Richard nog in leven of belt zij steeds een ander op,
vraagt ze naar hem omdat wie weet toch iemand zegt:
Richard? Ja hoor. Die is boven.

Laat niemand haar vertellen dat Richard is verdronken, dat hij is
verdwaald, ontvoerd, verongelukt. Was er niet ergens
een feestje, een man? Heb ik Richard niet alleen
gekend maar zelfs gekust, gesproken,
dronk hij wijn, lachten we samen?

Nu, precies nu is het nog mogelijk geen geluid te maken,
op te hangen of met zakjes te gaan kraken alsof we - helaas -
zijn ingesneeuwd, ik kan u niet verstaan.

Ik stel me haar voor, ze staat in een donkere kamer, kijkt vragend.
Maar ik dan? Waar haal ik op dit uur een Richard vandaan?

Mevrouw, de eerlijkheid gebiedt mij u te zeggen
dat ik Richard niet ben, nooit ben geweest
en niet herken, hoewel onze nummers
misschien weinig verschillen, onze levens
zijn gescheiden door een acht, een vier, een twee.

Er zijn mensen met wie ik minder scheel dan een getal
maar wier moeders mij niet kennen, niet zullen bellen.

U verspilt uw tijd, ik besta slechts uit halve stemmen,
halve gezichten, geen Richard waardig, geen hond
hebt ik ooit meer gebracht dan halfslachtige aanwezigheid.

(Er klinkt een vastbesloten stilte op de lijn.)

Mevrouw, ik weet niet tot wie maar ik bid met u mee
dat het iemand zal lukken.

Dat het iemand zal lukken om Richard te zijn.
...

This morning a lady rang up wanting to know
if I was Richard. This had never happened before.

Many people have wished I was someone, sometimes someone
I was before, sometimes someone I should be
- look scared for a change, talk like a nun, jump up and down,
can't you wear a skirt for once -
but no one's asked me for Richard.

(Meanwhile the silence on two sides is murmuring in my ear.)

There is another life before I answer, crammed with possibility,
the material I am made up of could just as easily have had
a different name or form. What if I said yes,
yes, it's me, Richard. Is that you, Mother?
It's been so long.

Would becoming Richard make me Richard, including his body,
breath, secrets, the way he ties his laces in the morning?
Does he like parsnips, for instance?

Would his mother break the connection
or in her tenacity,
her friendliness
or loneliness,
believe me?

Is Richard still alive or does she always phone someone else,
asking for him because who knows maybe someone will say,
Richard? Sure. He's upstairs.

Don't let anyone tell her that Richard drowned, that he's
lost or been kidnapped or killed in a crash. Wasn't there
a party somewhere, a man? Did I not just know Richard
but also kiss him, talk to him, drink
his wine, did we laugh together?

Now, right now, it is still possible to not make a sound,
to hang up or start crackling bags as if we - unfortunately -
are snowed in, I can't hear you.

I imagine her standing in a dark room, a quizzical look.
But what about me? Where do I find a Richard at this hour?

I'm sorry, honesty compels me to tell you
that I am not Richard, never have been,
no idea otherwise, and although our numbers
may vary only slightly, our lives are separated
by an eight, a four, a two.

There are people who differ less than one digit from me
but their mothers don't know me, wouldn't call me.

You're wasting your time, I'm only made up of half voices,
half faces, not worthy of a Richard, I never gave
anyone more than half-hearted presence.

(I hear determined silence on the line.)

Listen, I don't know who to, but I'll pray with you
that someone will succeed.

That someone will succeed in being Richard.
...

The Best Poem Of Ester Naomi Perquin

EEN BOS

Wat je kunt: een boom planten in omgewoelde aarde, zien hoe de takken
naar de hemel reiken. Zon. Maan. De hemel die je zelf ooit hebt
vervloekt. Een zomerdag begraven. Door de tijd heen kijken.

Onder de boom staan als het waait, weten waarvoor te weinig woorden zijn.
Te weinig handen. Denken. Water geven. Zien hoe de stammen
langzaam dikker worden, het leven zich een uitweg bloeit.

Hoe ieder voorjaar weer het blad, ieder najaar weer het vallen. Hoe weinig
blijft staan. Hoeveel. Onder die bast de cirkeling van zonderjaren,
ring na ring woedend opgeruimde of intact gelaten kamers,
onthouden gedachten, de lach, de verhalen.

Wat je weet: onder de grond groeit een wirwar van lopers en draden,
vormen een netwerk van minieme signalen, tasten over en weer -
men hecht onzichtbaar aan elkaar, vloeit samen.

Er is niets meer. Er is alles. In de takken hangt de zon, de maan.
Alle bomen dragen namen. En ze groeien. Ze groeien.
Van kruin tot wortels trillend van bestaan.

Ester Naomi Perquin Comments

Fabrizio Frosini 03 December 2018

1. Born 1980, Ester Naomi Perquin is a Dutch poet. Few Dutch poets have enjoyed such immediate success: with her first 2 collections, 'Napkins at Half-Mast' (2007) and 'On Behalf of the Other' (2009) she won no less than six prizes and a nomination. Her 3rd book, 'Cell Inspections' (2012) brought her the prestigious VSB Poetry Prize.

5 0 Reply
Fabrizio Frosini 03 December 2018

2. Ester Naomi Perquin lives in Rotterdam. Perquin worked as a prison warder to finance her studies at the school of creative writing in Amsterdam. In 2017, she was elected ''Dutch Dichter des Vaderlands'' (the Dutch counterpart of Britain's Poet Laureate of the United Kingdom) .

6 0 Reply
Fabrizio Frosini 03 December 2018

3. The sense of alienation that Perquin achieves is one that is full of compassion. Her characters are not her playthings, but a version of herself, an alternative, that properly considered is just as real. This is beautifully illustrated in the poem 'This morning a lady rang up' in which the fact of someone phoning a wrong number gives rise to numerous questions, reveries and associations around the subject of identity

7 0 Reply
Close
Error Success