In één dag kun je alles doen: verliefd worden op een man,
jezelf meerdere malen toe- en uitlachen, nadenken over
de witheid van je gebit, je gezicht bestuderen
alsof je hem bent en opkijkt en jou ziet.
Je kunt je lelijk vinden of niet en mee uit vragen
(ergens kussen, tegelijkertijd nuchter blijven),
vergeeflijk zijn naar rondjes die je uitdenkt
- waar hij woont, werkt, waar hij drinkt -
jezelf toespreken omtrent mogelijke,
nog te vormen onverschilligheid.
Je kunt spijt krijgen van de dag van de man
van de spijt waar je verliefd op werd.
Je kunt bedenken: er zit niets anders op
dan deze tot één dag teruggebrachte
vals afgelegde eeuwigheid.
...
In one day you can do it all: fall in love with a man,
smile and scoff at yourself several times, reflect on
the whiteness of your teeth, study your face
as if you're him and look up and see you.
You may find yourself ugly or not and ask yourself out
(kiss somewhere, though at the same time keep your head),
be forgiving towards the circuits you devise
- where he lives, works, where he drinks -
lecture yourself on possible,
as yet inchoate indifference.
You may come to regret the day the man
the regret you fell in love with.
It may occur to you: there's no alternative
to this phonily traversed eternity,
reduced to a single day.
...
Zoals je jezelf op een foto waarop je ruggelings staat afgebeeld
herkent maar omdat het onnatuurlijk blijft
liever niet meer bent - zo is de ander
precies zoals je zelf al denkt: het is niet goed teveel te weten,
geheimen tekenen verstand, geven iets om handen.
Leg tussen jezelf / de ander een diepe zee en verf je haren,
hou je onhoorbaar voor elke poging tot elkaar, verzet je
tegen nadering met rotsvast uitgesproken namen.
Geef volle ruchtbaarheid en ga een oorlog aan, wees
te allen tijde onveranderbaar. Val met niemand samen.
...
Just as in a photograph in which you're seen from behind
you recognise yourself but because it's unnatural
would rather not be there - so the other
is just as you already think: it's not good to know too much,
secrets symbols reason give you something to do.
Place between yourself/the other a deep sea and dye your hair,
stay inaudible for each attempt at rapprochement, resist
approaches with loud names as unyielding as stone.
Make it fully public and embark upon a war, be
at all times immutable. Don't coincide, be alone.
...
Door het dempen van de telefoon klonk je stem
nog zachter dan je zelf graag bent,
nadoet, pretendeert te zijn.
Ach, maanden lang, zei jij, die blinde twijfel
je te bellen. Jij was er evenmin als ik
die nacht geheel toevallig bij.
Stilte. Ik schat de woedende verbetenheid
waarmee je mijn lichaam terug vindt
en het daar heen draagt, toe sleept.
Als het moet, zei jij, bel ik je morgen weer.
Jij schermt wat met een leegte die zich
eenvoudig laat ontwrichten.
Leg me naast je neer. Soms droom ik
nog kinderen van je, spelenderwijs.
Mooie, betraande gezichten.
...
The muffling telephone made your voice
even softer than you like to be,
copy, aspire to be.
Oh, for months, you said, those blind doubts
about ringing you. Neither you nor I
was there wholly by chance that night.
Silence. I assess the furious doggedness
with which you rediscover my body
and carry it, drag it there.
If need be, you said, I'll call again tomorrow.
You waffle a bit about an emptiness that's
easily sent awry.
Lay me next to you. Sometimes I still
dream of children of yours, as in a game.
Beautiful faces that cry.
...
Geen vader of moeder om ons uit de bomen te halen
voor eten of slaap, de klimrijkste zomer in jaren.
Ik wilde geen staart, scheurde jurken aan flarden,
raakte met haren in takken verward - jij haalde
een schaar en ik werd een soldaat maar
het zwaard was zo zwaar en het schild
kreeg ik niet van de grond.
Je schreeuwde me hoger - ik klom dus en klom.
Warmte trok in de bomen, tot diep in de nacht
lag jij als een dier op de onderste tak.
Er konden geen leeuwen of moordenaars komen.
Ik hield, voor een meisje, uitstekend de wacht.
...
No father or mother to get us down from the trees
for food or sleep, the most climbing-packed summer for years.
No ponytail for me, I tore dresses to shreds,
got my hair tangled in branches - you fetched
scissors and I became a soldier but
the sword was too heavy and I couldn't
lift the shield off the ground.
You shouted, urging me higher - so I climbed and climbed.
Warmth permeated the trees, deep into the night
you lay like an animal on the bottom branch.
No lions or murderers could come.
For a girl, on watch I had excellent sight.
...
1
Wakker maken aan het begin van de nacht
en om dromen vragen.
Als ze zeggen dat ze die nog niet hebben gehad
omdat je ze wakker maakte: een klap.
Als ze beginnen te huilen over hun haren naar beneden
aaien tot ze aan hun moeders denken. Dan zeggen
dat hun moeders niet meer zullen komen.
Als ze hun hoofden op hun armen laten rusten
heel lang zwijgen. Als ze dan in slaap zijn
wakker maken en om dromen vragen.
Als ze hun dromen vertellen luisteren en uitleggen
dat zulke dingen niet bestaan. Dan de orde
van de dag. Dan weer van begin af aan.
2
Op de luchtplaats laten lopen en af en toe het geluid
van een geweerschot maken. Oefenen tot je
vlak boven hun hoofden een trage duif
in zijn vlucht kunt raken en ze
die duif laten begraven.
Of er eentje op zijn rug draaien en met viltstift
omtrekken op het matras en laten opstaan
om naar zichzelf te kijken.
Vragen of ze de omtrek niet op iemand
vinden lijken. Vragen wie dat was.
...
1
Wake them up at the start of the night
and ask for dreams.
If they say they haven't had any yet
because you've woken them up: slap.
If they start to cry, stroke their hair
until they think of their mothers. Then say
their mothers aren't coming anymore.
If they rest their heads on their arms,
keep quiet for a long time. When they fall asleep,
wake them up and ask for dreams.
If they tell you their dreams, listen and explain
that such things do not exist. Then go to the order
of the day. Then start again from the beginning.
2
Put them in the exercise yard and make
the sound of a gunshot. Practise until
you can hit a slow pigeon in flight
just over their heads, and have them
bury the pigeon.
Or turn one over onto his back and draw an outline
on the mattress with a marker and make him stand up
to look at himself.
Ask them if the outline reminds them of anyone.
Ask them who
...
Aangereden vogels kun je laten liggen, kun je klapwiekend en al
terzijde schuiven, gemakkelijk vergeten
fiets die omvalt in de regen, gebruikte naalden in een zandbak,
bananenschil op een strategisch punt, niet-geposte enveloppe
aan de belastingdienst verplicht tot niets
wisselgeld dat je teveel kreeg, een kleine jongen in de tram
die zijn halte niet weet kun je nonchalant verzwijgen,
gezichten niet herkennen, een glimlach negeren,
oude klasgenoten die je heel graag willen spreken
kun je volstrekt legaal en zich verbazend
in een drukke winkel achterlaten
en van je hand, van je hand kun je een wapen maken,
in je broekzak steken. Afgevijld. Doorgeladen.
...
You can leave birds that have been hit by a car, you can
push them aside flapping and all, easily forgotten
a bike that falls over in the rain, used needles in a sandpit,
strategically located banana peel, unposted letters
to the tax department oblige you to nothing
excess change in your hand, a small boy on a tram
who doesn't know where to get off, you can ignore coolly,
not recognising faces, not acknowledging a smile
it is completely legal to turn your back
on dumbstruck former classmates
anxious to talk to you in a busy shop
and your hand, you can turn that into a weapon,
stick it in your pocket. Sawn-off. Cocked.
...
Waren we nuttiger dingen geweest, onze buiken groenblauwe globes,
onze harten de motors (eenzaam, knalroze) onze handen door
goden omwikkeld met plakband, aan draden tot grotere dingen bewogen
en waren we draagbaar geweest (handvat aan de bovenkant) vraag dan
hoeveel keer beter, hoeveel keer meer - waren we eenmaal
doorzichtig geweest, de lijnen kwijt, we hadden het beter begrepen.
We hechtten tot nu toe geloof aan een mond en twee ogen
maar dit heeft geen gezicht, heeft geen gezicht nodig.
Het is hoe het kijkt en laat je hier achter.
Niemand verplaatst je in wat je betekent, geen mens laat je opstaan
en zweven, we zijn ons beperkte bewegen gewend.
We zullen niets zinnigs meer worden, zijn het misschien al geweest.
Afwezig. Helder ingetekend. Ontdaan van wisselvalligheden.
Iets dat klaar is en waar je, voor even,
de eerste getuige van bent.
...
If we'd been more useful, our bellies greenish-blue globes,
our hearts the motors (bright pink, lonely), our hands
taped up by gods, moved on strings to greater things
and if we'd been portable (handle at the top) imagine
how much better, how much more - if we'd just
been transparent, losing the lines, we'd have understood better.
We've put our faith until now in a mouth and two eyes
but this has no face, it doesn't need one.
It is how it looks and leaves you behind.
We are stuck in what we signify, unable to rise up
and float, we are used to our limited movement.
We will not become something meaningful, may have been it before.
Absent. Brightly detailed. Stripped of inconstancies.
Something completed with you, for a moment,
as first witness.
...
Op straat zegt een man in zijn telefoon nee zegt niet schreeuwt
wie denk je eigenlijk, haalt adem, ziet mij staan,
wie denk je dat je bent
met je goede manieren zogenaamd die rijke vrienden van je
met je vol geplande week je goede baan
zijn stem breekt het toestel open,
die vrouw rolt ineens over straat, half aangekleed, mascara
uitgelopen, krabbelt overeind, staat verbaasd
en hij begint weer opnieuw
wie denk je dat je bent en kijkt naar mij terwijl hij slaat,
blijft kijken tot ik roep dat is genoeg stop ze ligt
al opgerold ze doet je niks man stop
maar hij is nog niet uitgepraat en kijkt naar mij en vraagt
wie denk je blijft maar doorgaan in zijn handpalm
woorden maken, dat je bent
houdt niet meer op
...
A man speaks, no, he doesn't speak, he screams into his mobile
who the hell, he takes a breath, he sees me standing there,
who do you think you are
with your so-called manners your rich friends
your completely-booked-up week your good job
his voice breaks the phone open
the woman rolls out over the street, half dressed, mascara
smudged, scrambles to her feet in shock
and he starts again from the top
who do you think you are and watches me while hitting her,
watching until I shout enough stop she's already
curled up in a ball she's not hurting you man stop
but he's not finished yet and watches me and asks
who do you think unrelenting forming words
in the palm of his hand you are
and doesn't stop again
...
Als mensen over mensen praten zeggen ze ‘de'. Ze doen dat
tijdens het voorgerecht. Je zit tussen ze in en je knikt
hier en daar, maar je hebt geen idee
waar alle lepels voor zijn.
De mensen zijn andere mensen, niet de mensen die praten maar
de mensen waarover wordt gepraat. Ik heb nooit gezegd
dat ik hou van het woord ‘de', ik hoor het alleen.
Van ‘het', denk je, hou ik evenmin.
Het is wat er gebeurt in een ander land, in een grote droogte
als er overal vliegen zijn, de geur van fruit niet eens meer
na te vertellen, waar alle ogen zijn gericht op
onbereikbaar verre, vette watervogels.
De mensen wijzen op een spelfout in het hoofdgerecht,
stoten elkaar aan en lachen, beboteren hun brood.
Ik moet aan ‘een' denken, dat me nog het liefste is.
Een tafel. Een maaltijd. Een parelhoed.
Als mensen over mensen praten zeggen ze nooit: er is hier
iemand die. Of iemand waarvan duidelijk is. Er is hier
iemand die zeker, zonder twijfel, statistisch gezien.
‘De' heeft ons buiten beschouwing gelaten.
Elk diner telt één verkrachte vrouw. Eén homofiel.
Eén analfabeet. Eén man die weet waar
alle lepels voor zijn. Met hem
kun je beter niet praten.
...
When people talk about people they say ‘they'. They do it
over the starters. You're sitting between them and
nod now and then, but you have no idea
what all the spoons are for.
They are other people, not the people who are talking
but the people they are talking about. I have never
claimed to love the word ‘they', I just hear it.
I'm no fonder of ‘it', you think.
It is something that happens in another country, in a big drought
with flies everywhere, the smell of fruit not even
describable any more, all eyes directed at
unreachably distant, fat water birds.
They point out a spelling error in the main course, nudge
each other and laugh, butter their bread. It makes
me think of ‘a', which is closest to my heart.
A table. A meal. A guinea foul.
When people talk about people they never say, there is someone
here that. Or someone who is clearly. There is definitely,
without doubt, statistically, someone here who.
‘They' has excluded us from consideration.
Every dinner has a raped woman. A homosexual.
An illiterate. A man who knows what all
the spoons are for. You're better off
not talking to him.
...
Wat je kunt: een boom planten in omgewoelde aarde, zien hoe de takken
naar de hemel reiken. Zon. Maan. De hemel die je zelf ooit hebt
vervloekt. Een zomerdag begraven. Door de tijd heen kijken.
Onder de boom staan als het waait, weten waarvoor te weinig woorden zijn.
Te weinig handen. Denken. Water geven. Zien hoe de stammen
langzaam dikker worden, het leven zich een uitweg bloeit.
Hoe ieder voorjaar weer het blad, ieder najaar weer het vallen. Hoe weinig
blijft staan. Hoeveel. Onder die bast de cirkeling van zonderjaren,
ring na ring woedend opgeruimde of intact gelaten kamers,
onthouden gedachten, de lach, de verhalen.
Wat je weet: onder de grond groeit een wirwar van lopers en draden,
vormen een netwerk van minieme signalen, tasten over en weer -
men hecht onzichtbaar aan elkaar, vloeit samen.
Er is niets meer. Er is alles. In de takken hangt de zon, de maan.
Alle bomen dragen namen. En ze groeien. Ze groeien.
Van kruin tot wortels trillend van bestaan.
...
What you can do is plant a tree in fresh-turned earth, see branches
reaching for the sky. The sun. The moon. The sky that you
once cursed. Bury a summer's day. Look through time.
Stand under the tree when the wind gets up, knowing where words fail.
Where hands are not enough. Thinking. Watering the trees.
Seeing trunks slowly thicken as life blossoms a way out.
The leaves that come again each spring and fall in autumn. How little stands
the test of time. How much. Under the bark the years of absence circle,
ring after ring of rooms, cleared out in rage or preserved intact,
remembered thoughts, the smile, the stories.
What you know: below the surface a tangle of runners and threads grows,
forming a network from the slightest signals, feeling its way, touching -
unseen we cling to each other, merging together.
That's all there is. It is everything. The sun dangles from the branches,
the moon. All the trees bear names. And grow. They grow.
From crown to root they tremble with existence.
...
VOORBEELD
In één dag kun je alles doen: verliefd worden op een man,
jezelf meerdere malen toe- en uitlachen, nadenken over
de witheid van je gebit, je gezicht bestuderen
alsof je hem bent en opkijkt en jou ziet.
Je kunt je lelijk vinden of niet en mee uit vragen
(ergens kussen, tegelijkertijd nuchter blijven),
vergeeflijk zijn naar rondjes die je uitdenkt
- waar hij woont, werkt, waar hij drinkt -
jezelf toespreken omtrent mogelijke,
nog te vormen onverschilligheid.
Je kunt spijt krijgen van de dag van de man
van de spijt waar je verliefd op werd.
Je kunt bedenken: er zit niets anders op
dan deze tot één dag teruggebrachte
vals afgelegde eeuwigheid.
2. Ester Naomi Perquin lives in Rotterdam. Perquin worked as a prison warder to finance her studies at the school of creative writing in Amsterdam. In 2017, she was elected ''Dutch Dichter des Vaderlands'' (the Dutch counterpart of Britain's Poet Laureate of the United Kingdom) .
3. The sense of alienation that Perquin achieves is one that is full of compassion. Her characters are not her playthings, but a version of herself, an alternative, that properly considered is just as real. This is beautifully illustrated in the poem 'This morning a lady rang up' in which the fact of someone phoning a wrong number gives rise to numerous questions, reveries and associations around the subject of identity
1. Born 1980, Ester Naomi Perquin is a Dutch poet. Few Dutch poets have enjoyed such immediate success: with her first 2 collections, 'Napkins at Half-Mast' (2007) and 'On Behalf of the Other' (2009) she won no less than six prizes and a nomination. Her 3rd book, 'Cell Inspections' (2012) brought her the prestigious VSB Poetry Prize.