My father said: here they lie,
the Canadians. I saw them standing
by the canal, in their grey clothing.
Endless rows, fit for the slaughter.
...
The way people fly
in old engravings, so clear-cut
so credulous.
...
They reside in palaces along the Seine.
People dim their chambers' lights.
People hardly dare to cough, people
gather heaps of statistics about them.
...
A little green spade is my hound.
I hold it tightly in my hand.
I hardly ever put it in my mouth.
A little green spade is my hound.
...
We carried a part of your life outside.
Piling up on the platform all you'd gathered
under our roof. It lay in ropes, in piles,
blindfolded in boxes: moving as much as possible
...
Far from the Indians in the camp,
from people smelling of oil,
the pencil behind the
greengrocer's ear.
...
She asked: change me
into a stone. Or better still:
a prehistoric bone.
...
We droegen een deel van je leven naar buiten.
In de laadbak stapelde al wat je onder ons dak
had verzameld zich op. Het lag in touwen, in stapels
geblinddoekt in dozen: er moest zoveel mogelijk samen
verplaatst naar een grotere stad waar jij in kleinere kamers
met vreemdere mensen zou wonen. Niet meer met ons.
Je zei dat je vaak nog zou komen. Ik wist hoe ik jaren
tevoren hetzelfde beloofde onder het sjouwen van dozen,
maar ik zag in je ogen een ander leven flakkeren, in bredere lanen
met hogere huizen, grotere bomen, terrassen in tientallen talen.
De gouden jaren van het veroveren. Wij moesten stilaan
leegmaken, loslaten, wat veel voeten heeft in de aarde.
We moesten maar met minder van jou zien rond te komen.
...
Zoals mensen vliegen
in oude gravures, zo haarscherp
zo goedgelovig.
Tussen portretten van keizers
en soldaten, werveldieren en
walvissen, zo onweerlegbaar.
Hebben zij het later verleerd,
wegens te weinig veerkracht
in de vingers, te veel lood
in de vaders? Zwaluwen
in afwachting, kwetterend
aan telefoondraden.
...
Ver van de indianen in het kamp,
van mensen die naar olie ruiken,
het potlood achter het oor van
de groenteman.
Ver van de grondlaag op de poort,
het zand in het haar,
van alle leven,
ligt het broertje in het wiegje stil.
De krant weet met zijn kabeljauw
geen blijf. Het ons tomaten snuit
zijn neus in de zak. Overal lekt
verdriet uit. Maar de verf vangt
vliegen en de hemel ziet blauw.
De vader maar lucht blazen,
kleppen indrukken waar
geen klank meer uitkomt.
Wat lopen tegelgangen voor
wie omkijkt tergend
traag. We stoppen een pop in
een doos, leggen kleingeld op
een schoteltje, eten petitbeurres,
zeggen ja en amen. Neen, kaarsen
krijgen we niet. De grond is hard
voor onze schoppen. De buren
achter de ligusterhagen zwijgen.
Je kunt haar horen
krassen in de kraaien aan de vaart.
...