Ik was misschien een uurtje thuis
toen sloop ik weer naar buiten.
Niet lang meer of de zon zou ondergaan
ik liep de weg op naar het bos achter de treinbaan
en de voetbalvelden met mijn zelfgemaakte speer.
De punt een ijselijk gekrijs.
Er zou een hond zijn losgebroken
van een zeldzaam ras, gitzwart als een donderpreek
het schuim dat op zijn kaken stond.
Blaffend om het donker voor te blijven
flitste ik mijn schaduw achterna tussen de stammen door
tot een massief gordijn werd weggerukt.
Daar lag iets, half verstopt onder wat bladeren en zand.
Ik hief mijn speer, deed een stap naar voren bleef zo staan.
Alsof ik plotseling geen recht van spreken had -
mijn T-shirt plakte aan mijn bovenlijf
het prisma van mijn huid was als een flakkerende droom.
Even gaf ik licht
toen werd ik uitgedoofd.
...
Read full text