GELUKKIGE BRENGER Poem by Kees Ouwens

GELUKKIGE BRENGER

De zee ben ik gaan zien zonder last
mijn handen wilde ik vrij hebben
mee alleen mocht mijn lichaam

En dat de nevels aan land gingen
met de wind mee die draaide, dat
dit een schaduw legde over mijn ogen

Toen het duin gloed verloor op mijn
nadering want blond zich getoond
had maar vaal was geworden

Bij mijn klim de laatste rij over -
heb ik mij eigen gemaakt na een
weifeling of de thuisreis verkieslijk

Was boven de gang langs het strand
in de dampen, en waar in mijn hoofd
het beraad ging tussen heenreis

En aftocht: dat ik het onbestemde te
duchten had maar de leemte te vrezen,
zetten mijn voeten mij over het pleit

Heen vanzelf, om mij wijder van huis weg
te dragen de laatste steilte, omlaag de flank
van de zeereep, in een val sprongsgewijs

Het zand te vlug af waar de korrels
verglijden, en mijn lichaam dat vaart
maakte kon uitlopen tot het water mij keerde

COMMENTS OF THE POEM
READ THIS POEM IN OTHER LANGUAGES
Close
Error Success