Kees Ouwens

Kees Ouwens Poems

Buiten adem verliet ik de woning. En het was alsof duisternis over mij kwam.
Jachtige wolken trokken voorbij, zo haastig. Met
flarden maan. Zo spoedde ik mij heen, langs eindige trottoirs, de
bleke lippen strak - als streep. Afwisselend was hier
gewas, met bomen, stijfkoppig almaar zichzelf
staande houdend, met mij langs glijdend, als schim. Zo
gejaagd was ik nu, sneller, sneller, spoedde ik mij,
herwaarts, reeds lang geen stoepen meer, noch wegen,
slechts paden onder mijn haastige voet, slechts
nacht, als onafzienbare steppe. O, ik hield van mij,
en daarom weende ik, alsof ik verloren ging.
...

Breathless, I left the flat. Darkness seemed to fall upon me.
Madding clouds swept by in haste. With
tatters of moon. I sped away, following finite pavements,
pale lips taut - a stripe. Alternating here were
crops and trees, stubbornly holding their ground
the while, with me flitting past like a shade. So
driven now was I, ever swifter I sped
hither, the last pavement and road long gone,
just paths beneath my fleeting foot, just
night like endless steppe. Oh, how I loved myself,
and hence I wept, as if I would be lost.
...

De zee ben ik gaan zien zonder last
mijn handen wilde ik vrij hebben
mee alleen mocht mijn lichaam

En dat de nevels aan land gingen
met de wind mee die draaide, dat
dit een schaduw legde over mijn ogen

Toen het duin gloed verloor op mijn
nadering want blond zich getoond
had maar vaal was geworden

Bij mijn klim de laatste rij over -
heb ik mij eigen gemaakt na een
weifeling of de thuisreis verkieslijk

Was boven de gang langs het strand
in de dampen, en waar in mijn hoofd
het beraad ging tussen heenreis

En aftocht: dat ik het onbestemde te
duchten had maar de leemte te vrezen,
zetten mijn voeten mij over het pleit

Heen vanzelf, om mij wijder van huis weg
te dragen de laatste steilte, omlaag de flank
van de zeereep, in een val sprongsgewijs

Het zand te vlug af waar de korrels
verglijden, en mijn lichaam dat vaart
maakte kon uitlopen tot het water mij keerde
...

I went to see the sea unburdened
I wanted my hands to be free
only my body could come with me

And for the mists to go ashore
with the wind that was turning, for
this to set a shadow over my eyes

When the dune lost glow at my
approach since blond had shown
itself but turned wan

On climbing over the last row
I familiarised myself after hesitation
whether the journey home could be chosen

Above the going along the beach
lay in vapour, and where in my head
was deliberation between onward motion

And retreat, the unknown that was my fear
and the emptiness my dread, my feet led me
through plea and counter-plea

Of their own accord, bearing me on,
away from home, falling the last downward steep
of the sea-strip's flank, by leaps and bounds

Too quick for the sand where the grains
sped by, and my body at full tilt
could run out till the water turned me
...

hij sluit de auto af en weet . . .

ik ben nog niet aan de dood toegevallen
ver nog houdt zich de einder
over het drietal bermen - het midden,
de kanten - strijkt
het rijpe licht, de open pols
van de herfst, de lage zon
einde middag, de goudader
ligt bloot, onwerkelijk
groen het gras, wat er te zeggen valt
heeft zich toonbaar gemaakt, voor zichzelf spreekt
wat zich voordoet
en niet anders gezegd kan worden, ik heb mijn ogen
geloofd, ben er niet blind
voor gebleven,
het heeft me de ogen uitgestoken
in het opzicht, de mate
waarin het vertrekt
de bestemming achter zich laat
waar het uit voortkomt
waarheen het zich afwendt
op last van de stilte
in een roerloze avond
om de doem te verjagen
in een wereld van stilstand
de vereenzelviging met de boodschap
een recht is er op kalmte
na het verblijf in bevreemding
en een nacht van wat uren
bij een daglicht op de aftocht -

waarheen?

vanwaar zijn vraag
als de weg bekend is, het antwoord
niet zijn behoud zal geweest zijn?
...

he locks the car and knows . . .

I haven't yet been allotted to death
the horizon still keeps its distance
across the triple verge - the middle,
the edges - the ripe light
strokes down, the open pulse
of autumn, the low sun
at afternoon's end, the vein of gold
lies bare, unreal
green the grass, what has to be said
has made itself fit to be seen, what appears
and cannot be said otherwise
speaks for itself, I've believed
my eyes, I've not
been blind to it,
I've gone green-eyed
with the measure, the extent
to which it departs
leaves behind the destination
from which it springs
towards which it turns away
by order of the silence
one still evening
in order to drive away doom
in a world of standstill
becoming one with the message
there is a right to calmness
after time spent in the surprising
and a night that has a few hours
when daylight's on the retreat

where to?

why his question
if the road is known, and the answer
will not have been his salvation?
...

The Best Poem Of Kees Ouwens

SLECHTS NACHT

Buiten adem verliet ik de woning. En het was alsof duisternis over mij kwam.
Jachtige wolken trokken voorbij, zo haastig. Met
flarden maan. Zo spoedde ik mij heen, langs eindige trottoirs, de
bleke lippen strak - als streep. Afwisselend was hier
gewas, met bomen, stijfkoppig almaar zichzelf
staande houdend, met mij langs glijdend, als schim. Zo
gejaagd was ik nu, sneller, sneller, spoedde ik mij,
herwaarts, reeds lang geen stoepen meer, noch wegen,
slechts paden onder mijn haastige voet, slechts
nacht, als onafzienbare steppe. O, ik hield van mij,
en daarom weende ik, alsof ik verloren ging.

Kees Ouwens Comments

Close
Error Success