Het kleine meisje Bee leert op school
een nieuwe taal. Woorden waarvan ze het
bestaan niet kende, die zoveel zachter
klinken dan het dialect van haar geboor-
teplaats. ‘Viool. Schaduw. Echo.' Een
vat vol geheimen ontdekt ze. Niet alleen
de naam, maar ook het uiterlijk van de
dingen verandert. ‘Moeder' wordt een
grote vrouw. De woorden raken aan een
diep verlangen in haarzelf, waarvan ze
misschien al weet dat daar niet veel aan
te doen is. Een dagdromen, een onverklaar-
bare opwinding, een taal die de adem be-
neemt. Sneeuw schittert, een rivier is
stil, een waterval stort neer, bliksem
komt naar beneden. Bee neemt de boekjes
mee naar huis en leest ze, zittend aan
de keukentafel. In dezelfde ruimte spelen
haar broertjes en zusjes. Een zinken teil
staat waar haar moeder de was doet. Geplas.
Het morsen van een dweil. Als Bee de woor-
den hardop uitspreekt krijgt ze een andere
stem. Ze pakt het boek op en loopt ermee
naar buiten. Vreemde sporen laat ze achter
bij de anderen. Dat weet ze.
Het met sneeuw bedekte gras schittert in
de zon. Een ragfijne veer steekt met zijn
punt in de bevroren grond. Bee trekt hem
eruit. De punt breekt af. Met de stompe
kant trekt ze strepen in het wit. De
strepen krijgen als vanzelf een onderling
verband, worden letters. Zo vaak en zo
diep buigt ze naar de grond dat ze er dui-
zelig van wordt. De veer in haar hand lijkt
tot leven te komen, een kleine vogel, de
enige getuige van de zwijgende letters.
Zwijgen. Zo is het zwijgen. Daar ligt
sneeuw op en ijs.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem