‘Dus het is waar?' Een kleine auto hobbelt over een landweg,
een trillend middelpunt, vanuit een ooghoek waargenomen,
plukjes watten boven het groene dal. ‘Ik zie ik zie wat jij niet ziet!'
Rondrijden en verdwalen tot zich een oplossing voor zou doen
en was dít maar zichtbaar te maken: onze moeizame terugtocht,
hoe laat het werd, de eenmalige scherpte van een overweldigend
decor, het dode gewicht. Vastgenageld. ‘Nou moet jij vragen wát!'
Opstaan of blijven liggen, liggen of blijven opstaan, ook 's nachts
wist deze wonderbaarlijke vermenigvuldiging van geen ophouden,
pak vast m'n hand. ‘Hallo?' De kracht van de herhaling. ‘Halló?'
...
Read full text