Vrijen in een zomereik Poem by Mustafa Stitou

Vrijen in een zomereik

Vrijen in een zomereik,
een paar maal een paar seconden,
wegwervelen alweer terwijl zij zich uitschudt,
haar veren schikt.

Stammen bewandelen, omhoog,
omlaag, ondersteboven
aan twijgjes hangen,
in knoppen pikken,

op takken hippen. Rondscharrelen
in kruinen, onder struiken,
in een modderpoel.
Metselt mijn lief?

Ik breng haar donkere aarde.
Broedt zij? Ik voer haar
de tussen de bladeren
weggepikte rupsen. O

nimmer ten prooi aan aporieën,
fobieën, slopende almachts-
en onmachtsfantasieën, bedwelmende,
verslavende, verstikkende

eenzaamheid, het ontembare
dat mijn kaakbot wegvreet,
escapisme. Maar merels bevechten!
Een mees uitschelden!

Regen drinken, zingen
met een bek vol mieren,
een bek vol mieren. O
niet minder duister

en lichtend dan die van jou,
holenbroeder, is de bron
waaraan ik ben ontsprongen!
Wat is dat voor hartverscheurend

zacht kabaal? In de nestkast
leren mijn jongen vliegen.
O een gezinsleven van
een week of zes dan hup

de kinderen verbannen.
(En vreemd gedrag vertonen soms,
uit het niets mijn uitwerpselen
uitsmeren over een dode tak.)

COMMENTS OF THE POEM
READ THIS POEM IN OTHER LANGUAGES
Mustafa Stitou

Mustafa Stitou

Tetouan
Close
Error Success