Elma van Haren

Elma van Haren Poems

Zuiver belletjesschrift; zeepbel,
tinkelende bellenblazerij.
De lucht vol grijze vochtigheid,
een nevellucht boven blauwe velden met
een gloeiende kern van aandachtig licht
dat probeert door te breken.
Dan vallen er gaten in de lucht, verglaasd van kou,
elke glinstering om je heen een brandend wit.
Zeepbellen, samengebald tot iets dat zich op wil richten;
een messcherpe gedachte,
zonder hart en tong en handen.

Die 's nachts door het open raam
langs je gezicht komt waaien als een vrieskou,
waarin een brandgeur hangt.
Indringend.
Een ijskoude brandlucht.
Ergens moet vuur woeden, ergens
stijgt een kolom hitte op die niet meer kan dalen,
vanwege de koude zware lucht eronder.

De dag daarop voel je een PING!
als je in iemands ogen kijkt en
de kassa springt open.
Daar ligt al het goud en zilver te rinkelen.
Je kan het zo pakken, maar het vervaagt,
wanneer het in je handpalm ligt,
want licht in de morgen is dik en wit
met onverbloemd zicht op wat levend is.

Nu probeer je er alleen 's nachts naar te raden.
Je kunt het ruiken, je meent dat het beweegt.
Donker is heimelijk en al wat
steels is maakt het steelser
(en angsten scherper, pijn gemarmerd),
maar dit grenzeloze tovert de ruimte open,
wijd en weidser en al wat je ooit voor ogen zag,
of in je handen had of dacht of sprak,
zal onbesproken blijven,
want plaatsgevonden heeft het niet.
...

Words bubbling up; froth,
glistening bubble-blowing.
The air full of grey moisture,
a misty sky above blue fields with
a glowing core of careful light
trying to break through.
Then holes appear in the sky, cold-glazed,
every gleam around you burning white.
Soap bubbles, condensing into something that tries to rise;
a razor-sharp thought,
without heart or tongue or hands.

Blowing in through the open window at night
brushing your face like an Arctic chill
carrying the smell of smoke.
Stinging.
An ice-cold smell of burning.
Somewhere a fire must be raging, somewhere
a column of heat is rising and cannot descend,
trapped by heavy freezing air beneath.

The next day you feel a PING!
when you look someone in the eye
and the cash drawer flies open.
All the gold and silver is lying there jingling.
It's yours to grab, but dims
on your palm,
because morning light is thick and white
with an unvarnished view of what's alive.

Now you try to keep your guessing to the night.
You can smell it, you think it moves.
Darkness is furtive and makes
everything stealthy stealthier
(and fears sharper, pain marbled),
but this boundlessness breaks the spell of confinement,
vast and vaster and all the things you ever saw,
or held in your hands or thought or said,
will remain unspoken,
because they haven't taken place.
...

Het klonk op in een luid RINKELDEKINKEL.
Geen blik of glas, maar het woord,
uitgesproken door een laconieke stem.
Taalkopstootje: Breek uit!
Baan je naar buiten!
Luid gelach en toen

sprongen de sterren al in mijn
alom beleefde tegenwoordigheid.
Juist wat ik wou voor mijn verjaardag.
Een Rinkeldekinkel.
Precies zo!

Ik schudde de duiven van me af, die me ingesloten hielden
in hun gevederde kamers.
Hun gekoer echoënd tegen de wanden.
In elke klank een trechter naar een woord,
naar het corresponderende beeld.
Duiventaal (koerenboerenouwehoeren),
die me wilde smoren in de donzen duiventil.
Ik, uitbrekend van nature,
riep RINKELDEKINKEL
om het strekken, de lengte
- denderende trein in de roodgrijze avond -
door te kunnen laten daveren
zijn eigen ruimte in.
Met galmende oren van diep duivengeklok en
samengeknepen lippen, blauw als
na het eten van bijvoorbeeld
oneetbare bessen uit diep Congo,

rinkelde
hinkelde
nieste ik mij naar buiten.
Woog lichter vloog over,

het Rinkeldekinkel bestand tegen de
als tevreden meikevers de wereld in ronkende
minzame knikjes, klopjes op de schouder,
kneepjes in de wang.
Tegen fidele falderalderie,
Brallen & Bauwen, mij toegeworpen
met dik sproeisel van zwart speeksel,
als zat de pest in dat brouwsel.
En liefje,
die zwarte gaten in je glimlach hebben
niets van doen met de staat van je gebit.
Dus rinkeldekinkel ik ook bij jou!
...

It gave off a loud SMASH-CLATTER.
Not tin or glass, but words,
spoken in a laconic voice.
Linguistic double shot, Break out!
Force your way out!
Loud laughter and then

the stars shattered in my
invariably polite presence.
Just what I wanted for my birthday.
A Smash-clatter.
It's perfect!

I shook off the pigeons stifling me
in their feathered chambers.
Their cooing echoing off four walls.
Every sound a funnel to a word,
to the corresponding image.
The language of pigeons (cooingpoohpoohingboohooing),
trying to smother me in their downy dovecote.
I, a natural breaker-outer,
called SMASH-CLATTER
to let the extent, the length
- hurtling train in the greyish-red evening -
go thundering through
into its own space.
With ears ringing from the pigeons' deep gurgling and
lips pinched, as blue
for example as after eating
inedible berries from the deepest Congo,

I clattered
shattered
sniffed my way out.
Weighing lighter flying over,

my Smash-clatter immune to the pats on backs,
condescending nods, tweaks of cheeks
that buzz off into the world
like complacent May beetles.
Immune to jolly falderal,
Bluster & Bluff, tossed my way
with a thick spray of black saliva,
as if the brew were plague infested.
And sweetheart,
those black holes in your smile
have nothing to do with the state of your teeth.
So I'll smash-clatter you too!
...

Omdat je ergens beginnen moet het uitgangspunt te vinden
is iedere invalshoek mogelijk.
Lastiger is het je los te maken
van het woord ‘willekeurig'.
Je hecht nog aan versplintering.
Zo winden honderden straten zich rond je wijzende vinger.
Zoek de as van de stad is het hart van de stad, vesting
rond de bloeiende binnenkoer met de beerput;
is het brein van de stad; kronkelig
samenkleven van energiespeldenprikpunten,
die aan alle kanten de kop opsteken en
een uitweg zoeken als
oprit naar hun veilige haven.
Alsof je een binnenschipper bent
zwalk je op je benen over straat.
Maar je bent van de straten af.
Nu heb je een adres.

Links rechts inslaan kriskras hoek om stoep op en af
achteloos ingehaakte omgeklapte enkel in de tramrail.
Je vist je voet eruit. Dwaaltocht door niemands land.
Bent niemands kind meer,
niemands kraai.
Geen vogel in de hand, geen hond in de lucht,
geen paard op de rug, geen kip op de stok van je slaap.
Hier was ooit een blok. Nu staat er een straat.
En daar, waar nooit gewoond werd, is je toegewezen adres.
De kroon op je registratie en
de bevestiging van je naam als alibi
voor het plegen van al die verworven jaren.

Daar ligt in transparante lagen vijf hoog op elkaar.
Elke huisraad voorstelbaar; inhoud ijskast geur van beddengoed,
geronk van de was speelhoek televisie plafondspots kamerplant.
En jouw lichaam daar ijl tegenover,
nog op de drempel, traag in beweging.
Het zoeken moet met je mee, daar waar
de ruiten zijn gevallen in de mistige muur en glinsteren.
Het gebit van de gevel.
Het buiten weerspiegelen om het spiegelbeeld
te doen schrikken van zichzelf en van binnenuit
het struikelen te zien van je verglazing.
Het rinkelen!
...

You have to start looking for a point of departure somewhere,
so all lines of approach are possible.
More troublesome is getting free
of the word ‘arbitrary'.
You are still attached to fragmentation.
Hundreds of streets wind round your pointing finger.
Seek the axis of the city the heart of the city, fortress
around the flowering inner courtyard with cesspit;
the brain of the city; tortuous
conglomeration of energy pinpricks,
surfacing on all sides and
searching for an exit as access
to their safe havens.
Like a sailor on shore leave
you roll down the street.
But the streets are behind you now.
You have an address.

Left right turn criss-cross up the gutter round the corner cross
distracted suddenly down at heel twisted ankle in the tram track.
You fish out your foot. Rambling through no man's land,
no man's island.
Not a man in sight.
No hat to lay, no bird in the hand,
no dog to feed, no chickens to come home to roost.
Once this was a block. Now it's a street.
And there, where no one ever lived, is your assigned address.
The crown on your registration and
the confirmation of your name as alibi
for committing all those accumulated years.

There, in transparent layers, five floors lie stacked.
All imaginable furniture; contents refrigerator smell of bedding,
drone of washing television play corner ceiling lights pot plants.
And your body opposite, tenuous,
still on the threshold, lethargic.
The seeking has to go with you, there where
glittering panes have descended in the misty wall.
The façade's false teeth.
Reflecting outside to make the reflection
startle itself and seeing from inside
how your glass self stumbles.
The clatter!
...

The Best Poem Of Elma van Haren

ER WAS EENS…

Zuiver belletjesschrift; zeepbel,
tinkelende bellenblazerij.
De lucht vol grijze vochtigheid,
een nevellucht boven blauwe velden met
een gloeiende kern van aandachtig licht
dat probeert door te breken.
Dan vallen er gaten in de lucht, verglaasd van kou,
elke glinstering om je heen een brandend wit.
Zeepbellen, samengebald tot iets dat zich op wil richten;
een messcherpe gedachte,
zonder hart en tong en handen.

Die 's nachts door het open raam
langs je gezicht komt waaien als een vrieskou,
waarin een brandgeur hangt.
Indringend.
Een ijskoude brandlucht.
Ergens moet vuur woeden, ergens
stijgt een kolom hitte op die niet meer kan dalen,
vanwege de koude zware lucht eronder.

De dag daarop voel je een PING!
als je in iemands ogen kijkt en
de kassa springt open.
Daar ligt al het goud en zilver te rinkelen.
Je kan het zo pakken, maar het vervaagt,
wanneer het in je handpalm ligt,
want licht in de morgen is dik en wit
met onverbloemd zicht op wat levend is.

Nu probeer je er alleen 's nachts naar te raden.
Je kunt het ruiken, je meent dat het beweegt.
Donker is heimelijk en al wat
steels is maakt het steelser
(en angsten scherper, pijn gemarmerd),
maar dit grenzeloze tovert de ruimte open,
wijd en weidser en al wat je ooit voor ogen zag,
of in je handen had of dacht of sprak,
zal onbesproken blijven,
want plaatsgevonden heeft het niet.

Elma van Haren Comments

Close
Error Success