1
Laten we weer gaan wonen in het oude
huis ook al is het beschadigd, dat
herstellen we wel, later, en dan nemen we de oude
hunker als bed, gaan zitten in oude verhalen, zetten
de borden tussen de butsen op tafel, scheppen ze vol
met wat we vroeger ook aten. En zo
worden we bijna gelukkig misschien, koesteren
de doden stil in hun graven, schoffelen die elk
seizoen met een ander soort weemoed terwijl
we verzinnen wat ze nu zouden. Laten we
weer gaan leven op de krakende vloer
als vanouds wat rag in de hoeken.
2
- Nee, dat gaan we niet doen. We bouwen
een nieuw huis, maken een nieuw
kind en dat geven we een nieuwe naam.
We gaan niet met roestige teilen, emmers en heimwee
sjouwen onder een lekkend dak, niet langer
kermen om hoe het was, de stad
is verwoest ja, en ja een voltreffer gooit
ook de inboedel plat van het hart. We gaan
dansen onder een nieuw
dak en onder nieuwe lakens onstuimig
een liefde uitvechten, nieuwe borden volscheppen
met onbekende gerechten.
3
- Vanwege? Opdat? Laat die
oorlog toch zitten gekkie, hou op met je
hooggehakt droefzwart strompelen over die catwalk
alleen om schamel applaus en gejoel van een
schimmenpubliek binnen te slepen. Stamp
liever blootvoets stamp
tot een onhoudbaar ritme door je benen je bloed
swingt je longen vult, uit je poriën dampt. Wij
hebben genoeg huiver
door ons lijf voelen trekken, bang bang
bang kun je zijn voor wat ons straks zal kortsluiten.
4
- Goed dan, we laten de muren staan, lappen
de ramen, boenen de bloedvlek niet weg maar
gooien de tobbe de deur uit slopen de bedstee + het
armoedige aanrecht vanwege onze huidige
passie en kost. Akkoord, die
tafel met butsen mag blijven, ja ja ook
een hoekje met spinrag, we bouwen
er wel een altaartje onder met
parafernalia foto's en kaarsen, oké die
horen erbij tot ook wij.
...
Het lage vul ik met voorbijgaan
op en ik sleep door stad en land
verleden mee dat in mijn diepte
moet bezinken. Of ik nu dunner word of
zwel, ik slijp en slijt de binnenkanten
van m'n vel; mijn bedding ben ik
niet en wel. Voor links
en rechts heb ik geen oog, loom
drijvend op m'n onderstroom, de armen
zijwaarts soms gestrekt waardoor ik
nog meer grond betrek, verdrink ik
in het eigen ik. Niet dat ik
in mijzelf verstik, het hoge
vind ik daar en ook het slik.
...
I fill what is low-lying with my passing
and drag along with me through town and country
a past that has to settle
in my depths. No matter if I shrink
or swell, I wear and tear the inside
of my skin; my bed I'm
not and yet I am. I have no eye
for left and right: drifting slowly
on my undertow, my arms at times
outstretched, so that I
take in yet more ground, I drown
in my own me. Not that I
stifle in myself, heaven
I find there and also sludge
...
Liefde, ja er zit altijd een lichaam aan vast
en dat maakt het en maakt het, maakt het
soms lastig. Maar het geeft niet, we zijn
al zo lang samen dat we ons in elkaar hebben
opgeslagen, niet meer zoek niet weg kunnen raken.
Natuurlijk, voorbodes kruipen onder de huid, dansen
mee als je danst, rennen mee als je rent, hangen
ook op de bank, zitten daar en later gaat Haper
aan de haal met je dromen, teistert een winter
de oude rivier die wil stromen. Maar het
geeft niet en de sfinx die ons het raadsel
opgeeft wie van wie het meest is niks.
om je druk over te maken, we houden elkaar gewoon
bij de hand en waar de weg ophoudt zullen we slapen.
...
Love, yes there is always a body involved
which makes it and makes it, makes it
tricky at times. Doesn't matter though, we've been
together for so long we've internalised
each other, can't get lost can't get away any more.
Of course, harbingers are crawling under the skin, dancing
when you dance, running when you run, slouching
on the sofa too, sitting there and later Fail
makes away with your dream, a winter torments
the old river that wants to stream. But it
doesn't matter and the sphinx who asks us
the riddle who whom the most is nothing
to get worked up about, we just take each other
by the hand and where the road ends we'll sleep.
...
Ik neem de hersens de tong en de wangen,
zei eentje, maar het hart gooi ik weg.
Wij zwegen onthutst, liepen de rest
van het lijf na, deelden ons verder niet
mee. Gingen de volgende ochtend de berg op
om voedsel te zoeken, vonden oneetbaar.
Toen hebben we een onschuld geslacht.
We lieten hersens tong en wangen
intact, namen het hart.
...
I take the brains the tongue and the cheeks,
one said, but I throw away the heart.
We were stunned into silence, went over the rest
of the body, keeping our thoughts to
ourselves. Climbed up the mountain next morning
to look for food, found inedible.
Then we slaughtered innocence.
We left brains tongue and cheeks
intact, took the heart.
...
brieven verbranden, al die mooi
verregende zongebleekte woorden en regels
in vlammen zien opgaan maar schaamteloos
hun inhoud behouden. We hebben
geluk gehad, o wat hebben we -
Laten we
straks andere steden verkennen, door nieuwe
straten met muzikanten en slapers op banken
slenteren, wennen aan weggaan.
Laten we
daar eten drinken en geven
de zanger genoeg om dronken te worden
de bedelaar wat hem toekomt.
...
the old letters, watch all the beautiful
rain-drenched sun-bleached words and lines
go up in flames while shamelessly
retaining their contents. We've been
lucky, oh what we've been -
Let us
explore other cities, wander through new
streets, past buskers and rough sleepers,
get used to leaving.
Let us
eat there and drink and give
the singer enough to get drunk on
the beggar what he deserves.
...
*
Aan het spit draait het lam, poten
gebonden, kop nog verbijsterd. Denk
eeuwen aan tijd weg, sta je plots naast
een oud offer: een lam voor een gedachte
een kind voor gunstige wind, het hart
van een wiegeling om eigen lijf
veilig te stellen. Denk
de discomuziek op de bergrug weg, blijft
het vertrouwde gezoem van bijen, mus
en zwaluw hun nest en de angst om de wind
in het zeil te verliezen, eigen ziel
te zien vliegen. Liefste
laten we met het hoofd naar het oosten
een zoon maken.
*
En hij bestond. We pakten hem
op, zwierden hem in het rond en
nog eens en hij kraaide want hij was
in lievelingshanden en toen was het
hup de wereld in met je hart
dat men afpakken kan, kan breken
in een hoek smijten: niks waard zo'n
hart geen porselein of goud, meer een roestig
soort klei en je hebt er zoveel van, ook het jouwe
gaat straks op de schroothoop. Maar hij
wilde niet weg, hij wilde
groeien en blijven waar het goed was en goed
wilde hij worden met vileine streken. Schulp
is een woord als schuld, de kom waarin elk
rondkruipt, telkens opnieuw het lichaam
verkent: ben ik dat, een soort groot
gebaar waarmee ik soms iemand
in het gezicht sla?
*
Waar is de oude stad?
De oude stad ligt iets verderop
Waar ligt iets verderop?
Voorbij de splitsing, die moet je over.
Waar is splitsing die ik over moet?
Vlak voor de plek die je zoekt.
Waar ligt de plek die ik zoek?
Binnen de poorten van de oude stad.
Waar zijn de poorten van de oude stad?
De poorten zijn afgebroken.
...