*
Aan het spit draait het lam, poten
gebonden, kop nog verbijsterd. Denk
eeuwen aan tijd weg, sta je plots naast
een oud offer: een lam voor een gedachte
een kind voor gunstige wind, het hart
van een wiegeling om eigen lijf
veilig te stellen. Denk
de discomuziek op de bergrug weg, blijft
het vertrouwde gezoem van bijen, mus
en zwaluw hun nest en de angst om de wind
in het zeil te verliezen, eigen ziel
te zien vliegen. Liefste
laten we met het hoofd naar het oosten
een zoon maken.
*
En hij bestond. We pakten hem
op, zwierden hem in het rond en
nog eens en hij kraaide want hij was
in lievelingshanden en toen was het
hup de wereld in met je hart
dat men afpakken kan, kan breken
in een hoek smijten: niks waard zo'n
hart geen porselein of goud, meer een roestig
soort klei en je hebt er zoveel van, ook het jouwe
gaat straks op de schroothoop. Maar hij
wilde niet weg, hij wilde
groeien en blijven waar het goed was en goed
wilde hij worden met vileine streken. Schulp
is een woord als schuld, de kom waarin elk
rondkruipt, telkens opnieuw het lichaam
verkent: ben ik dat, een soort groot
gebaar waarmee ik soms iemand
in het gezicht sla?
*
Waar is de oude stad?
De oude stad ligt iets verderop
Waar ligt iets verderop?
Voorbij de splitsing, die moet je over.
Waar is splitsing die ik over moet?
Vlak voor de plek die je zoekt.
Waar ligt de plek die ik zoek?
Binnen de poorten van de oude stad.
Waar zijn de poorten van de oude stad?
De poorten zijn afgebroken.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem