2.
We waren nutteloos, juwelen, luxe en verspilling,
Onze liefde heeft zichzelf als vuur verteerd,
We gaven en we namen mateloos, onthouding
Was ons vreemd, we hebben elkaar nooit geleerd
Nooit te zeggen, waarom zouden we, we waren minnaars
Van de overvloed, twee jongens die van vlees en spieren
Goud wisten te maken. Flakkerende vlammen op een kaars
Die aan twee kanten brandt. Iets tussen dier en
God in. Gulzig. Ongeduldig. Dol. Twee trotse koningsslangen
In een paringsdans die eeuwig leek, maar niets
Is eeuwig, liefste: eeuwigheid is dodelijk voor het verlangen
En dat wisten we, dat wilden we vanaf de eerste dag.
Liever uitgeput door ons dan uitgeblust. Alles of niets.
Jij bent mijn alles. Neem mij. Van glimlach tot geslacht.
...
Read full text