4.
Als jij niet langer, niet meer
Hier, louter herinneringen, één voor één
Verdampend, en ik altijd overal alleen
Op zoek naar niets, door slapeloosheid verteerd
Omdat ik niet van je wil dromen.
Ik wil niet dat je doet alsof je er nog bent
Niet langer vlees en spieren, geen geile, lome
Glimlach meer, ik ben niet langer wie je hebt gekend,
Je hebt me met je meegenomen. Laat
Het ding dat ik hier ben met rust,
Een ding vol pijn dat leeg moet lopen, doodshaat
Die zichzelf verbrandt, tot ik gezuiverd en gelouterd en -
Zorg goed voor wie ik was. Denk nog één keer aan de kus
Die ik had willen zijn. Vergeet de kus die ik niet langer ben.
...
4.
If you no longer, not here
Anymore, just memories, evaporate
One at a time, and I alone always, everywhere
In search of nothing, by a sleepless state
Consumed, to keep myself from dreaming of you.
I don't want you to pretend that you're still here
Now neither lustful, languid smile nor flesh and sinew,
I'm no longer the one with whom you were familiar.
You've taken me with you. Leave
Alone the thing that I am here within,
A thing so full of pain it needs to grieve,
A deadly hate that burns itself, till I am purified and purged and -
Take good care of who I was. Think of the kiss I wish I'd been
Once more. Forget the kiss I no longer am.
...
Niemand weet uit welk verhaal Stilte komt.
Getik van teen- en vingernagels op de houten vloer.
Alsof ze dorst heeft
komt ze almaar dichterbij, adem naast een oor.
Ze buigt door haar poten, besnuffelt onze haren, onze jas,
schoenen, oksels, vingers, mond, op zoek naar angsten, tederheden,
dromen, de geheimen die we voor onszelf verbergen. Diep
ademt ze in. Lange spieren in de rug.
Kleine borsten. Fluwelen buik. Ze kruipt over ons heen,
binnenstebuiten, zuchtend, we mogen aan haar lippen
ruiken, aan haar tong. Adem haar diep in.
Zodra de zaal weer leeg is wordt het podium ontruimd,
de botten van de angst, de vingerkootjes tederheid, de haren
van de dromen, pezen van geheimen op een hoop gegooid.
Het zeil wordt dichtgevouwen
naar het dak gebracht. Boven de schouwburg cirkelen meeuwen.
Niemand weet naar welk verhaal Stilte zoekt - elke nacht
ijlt ze door de straten. We duwen onze onderbuik tegen het raam,
naakt staan we achter glas van haar te dromen.
...
Nobody knows which story gave birth to Silence.
Click of toe- and fingernails on the wooden floor.
As if thirsty,
she keeps coming closer, breathing next to an ear.
She bends her legs, sniffs our hair, our coats,
shoes, mouths, armpits, fingers, searching for fears, dreams,
tenderness, the secrets we keep hidden from ourselves. She takes
a deep breath. Long back muscles.
Small breasts. Velvet belly. She crawls over us,
inside out, sighing, letting us smell her lips,
her tongue. Breathe her in.
As soon as the audience has left, the stage is cleared:
the bones of fear, the phalanges of tenderness, the hair
of dreams and the sinews of secrets piled together.
The folded canvas is raised
to the roof. Over the theatre, seagulls circle.
Nobody knows which story Silence is seeking - every night
she hurries through the streets. We stand naked at the window,
bellies pressed against the glass and dreaming of her.
...
Als ik op jullie in het donker wacht
houd ik een zakdoek aan mijn mond
om mij ervan te vergewissen dat ik bloed
want enkel wie kan bloeden kan ook dromen.
Ik druk het doekje zachtjes aan. Voor wie
heb ik me mooi gemaakt alsof ik ja heb willen zeggen
op een vraag die niemand heeft gesteld; de wereld
is een gat dat warmer wordt naarmate het zich vult
met lichamen. In het duister trilt een telefoon vergeefs.
Hoeveel levens sta ik hier al, handen
in mijn jaszakken, gesloten ogen, alsof iemand in me neuriet.
Alles mogen jullie van me vragen. Trager dan olie
is het wiegen van mijn heupen. Nog trager
druipt mijn jas, die dikste olie, van me af.
Ik was nooit voorheen zo naakt, dat denk ik
als ik achterover buig, zakdoek klevend op mijn lippen. Nooit zo wijd.
Tot mijn hoofd tussen mijn knieën opduikt
en we elkaar eindelijk aankijken
alsof we elkaar willen beademen.
Verblindend licht. Zoveel verlangen -
gegil van meeuwen.
...
Waiting for you in the dark
I hold a tissue to my mouth
to make sure I am bleeding
because only those who bleed can dream.
I apply a gentle pressure. Who have I
made myself beautiful for as if saying yes
to a question no one's asked? The world
is a hole that grows warmer as it gorges
on bodies. In the darkness a phone vibrates in vain.
How many lives have I already stood here, hands
pocketed, eyes closed, as if someone inside me is humming?
You can ask me anything. Slower than oil
is the swaying of my hips. Slower still,
my coat, that thickest of oils, dripping off of me.
I have never been this naked before, that is what I think
as I lean back, tissue stuck to my lips. Never this wide.
Until my head appears between my knees
and we are looking at each other, finally,
as if to breathe into each other.
Blinding light. So much desire -
the screech of gulls.
...
Eindelijk laat de onderstroom zijn prooien vrij,
losgerukte drijfbladeren, piepschuim. Ik waad
door borsthoog, schuimend water. Een matras.
Een ijskast. Een schoen als een wiebelend bootje.
Ik zal in de ijskast slapen, drinken uit de schoen.
Ik zal de matras opensnijden, door vel en speklagen heen,
mijn hoofd tot de nek in die muil
om er de schedel uit te rukken.
Zoveel gaat verloren. We duiken
naar waar het water zwart en taai is, mijn schedel en ik,
nieuwe vissoort met longen en ontstellend grote ogen,
op zoek naar een trage, lichtgevende, fluwelige staart.
Diepe, eenzame gezangen die tientallen kilometers ver te voelen zijn.
Waar zullen we het lichaam van Ophelia vinden, in welke wonde
blinkt haar liefde, metalen haak door een lip,
opensperrend tandartsding in de mond alsof ze verbaasd is?
In het water drijven zilveren jurken
die zich weldra het land op slepen en wij alles,
mijn schedel en ik, alles zullen we bevechten
voor de schoonheid van Ophelia.
...
Finally the undercurrent releases its prey,
torn leaves, polystyrene. I wade
through chest-deep, frothing water. A mattress.
A refrigerator. A shoe like an unsteady boat.
I will sleep in the fridge, drink from the shoe.
I will slice open the mattress, cutting through skin and layers of fat,
my head up to the neck in its maw
to tear out the skull.
So much is lost. We dive
down to where the water is black and viscous, my skull and I,
a new species of fish with lungs and outrageously large eyes,
searching for a slow, luminous, velvet tail.
Deep, lonely song that makes itself felt for miles around.
Where will we find Ophelia's body, in which wound
does her love shine, metal hook through a lip,
a dentist's dilator in her mouth as if she's surprised?
Silver dresses floating in the water
will soon drag themselves up onto land and we,
my skull and I, will declare war on everything,
all for the beauty of Ophelia.
...
Twee lichamen staan hoofd tegen hoofd.
Urenlang spreken ze in elkaars mond
tot de woorden van hun kin druipen: wanhoop, slaap, verveling,
wil, liefde, dromen, verlangen, tederheid, onderwerping.
Wie van beiden spreekt als eerste het woord mes uit
terwijl de ander antwoordt: hoofd, wenkbrauwen, bovenlip, wangen,
kin, borst, oksels, buik, geslacht,
om gladgeschoren te worden? Ivoor. Albast.
We gaan de schouwburg uit, elk met een lichaam op de rug,
stappen in de auto, rijden naar huis.
In de slaapkamer leggen we ze mond aan mond
alsof ze horizontaal in bed staan.
We drukken ons elk op onze kant tegen een rug aan,
arm om middel, kin op schouder, met open ogen,
klimmen over die lichamen,
kussen ons slapend in elkaar vast.
...
Two bodies stand face to face,
speaking into each other's mouths for hours on end
until the words are dripping from their chins: despair, sleep, boredom,
willpower, love, dreams, desire, tenderness, submission.
Which of the two first says the word razor
while the other answers, head, eyebrows, lip, cheeks,
chest, chin, armpits, belly, pubes,
to be shaved? Ivory. Alabaster.
We leave the theatre, carrying a body each,
get in the car, drive home.
In the bedroom we lay them mouth to mouth
as if they're standing horizontally in bed.
From our two sides we press against their backs,
arms around waists, chins on shoulders, open-eyed,
climbing over those bodies,
kissing ourselves together in our sleep.
...
We bouwen een afgrond
met afgewend gezicht, eerst stilletjes,
dan ritmisch als handgeklap, uiteindelijk met open mond - we houden
onze buik vast en vouwen ons dubbel, één rolt al
van het podium af, terwijl de zaal het ritme blijft aangeven,
armen in de lucht, een zee van vlammetjes - lang geleden
dat we ons zo konden laten gaan dat we alles om ons heen
konden vergeten, zo goed dat wij dat samen doen - het lachen gaat over
in gehuil dat nooit meer zal ophouden
en net op dat moment houden we op.
Maar wat zuigt zich in die stilte
uit ogen en uit vloer, plafond en wanden,
warm, kleverig, gulpend, niet te stelpen,
oeroud, kolkend, diep oranjerood,
uit oksels, poriën, ooghoeken, neus, geslacht,
ruisend, lispelend, fezelend,
wat van ons
druipt van ons af
in de vlezige, natte, hete, gladde trechter van de afgrond?
...
We build an abyss
with averted faces, quietly at first,
then as rhythmically as clapping, finally open-mouthed - we hold
our bellies tight and bend double, someone's already
rolling off the stage, while the audience keeps the beat,
arms in the air, a sea of lighter flames - it's been a long time
since we could let ourselves go so completely forgetting everything
around us, so good to do this together - the laughter turns
to crying that will never end
and in that very instant we stop.
But what is drawn into that silence
out of eyes and out of the floor, ceiling and walls,
warm, sticky, gushing, unstaunchable,
ancient, swirling, a deep orange-red,
out of armpits, noses, pores, genitals, the corners of eyes,
rustling, rippling, whispering,
what of ours
is dripping from us
into the hot, wet, fleshy, slippery funnel of that abyss?
...
Wat ons had kunnen zijn:
onder al ons roepen zwijgt de man
die hier niet was
over de vrouw die hij heeft gekend,
en roept onder al ons zwijgen de vrouw
die hier is geweest
met de man die ze nooit heeft ontmoet.
We zitten elk in een kamer uit te kijken
over de zee naar wat daar opduikt, zonlicht,
maar we weten niet wie we zijn,
nooit zien we wie uit het water komen
en zonder onze naam te kennen naar ons kijken.
Tot de branding wit wordt
en ze weer wegzwemmen.
Zo graag
had ik iedereen behoed voor het ergste, maar
het beste moest nog komen.
...
What could have been us:
under all our clamour the man
who wasn't here
keeps silent about the woman he knew,
and under all our silence the woman
who was here with the man she never met
clamours.
Each in a room of our own we look out
at the sea and what appears there, sunlight,
but we don't know who we are,
never do we see who rises from the water
and looks at us without knowing our names.
Until the surf turns white
and they swim away again.
I longed
to protect everyone from the worst, but
the best is yet to come.
...
Waar komen de gezangen vandaan? Lood vloeit
de schouwburg binnen, vormt draaikolkjes rond tafelpoten. Er zijn
marmeren zuilen waar hittesluiers tegenop hijgen.
Waar komen die vrouwen vandaan? Ze houden hun jurk
tot boven hun knieën, alsof ze een zee in lopen.
Holtes onder het podium vervormen hun stemmen.
Vlak voor ze zinken halen ze hun tong uit de mond
en gooien die over hun schouder. Stilte.
In de stoelen zitten wij, mannelijke en vrouwelijke poppen, met gezichten
die nauwelijks nog informatie bevatten over afkomst of leeftijd.
Op het podium is er niets waar iets zou moeten zijn
en iets waar niets zou moeten zijn. Loodplaten schuiven
over elkaar, klaaglijk zingend. Wij kruipen almaar hoger
over schouders, buiken, een gezicht. Het plafond
zweet roodbehaarde dieren uit.
...
Where is that singing coming from? Lead flows
into the theatre, eddying around table legs. There are
marble columns with veils of heat panting against them.
Where are those women coming from? They hold
their dresses up above their knees, as if wading into the sea.
Hollows under the stage deform their voices.
Just before sinking, they pull their tongues out of their mouths
and fling them over their shoulders. Silence.
We, male and female dummies, sit in the seats with faces
now blank, almost no information regarding age or origin.
On stage there is nothing where something should be
and something where there should be nothing. Lead plates
slide across each other, singing plaintively. We clamber
ever higher over shoulders, bellies, a face. The ceiling
sweating red-haired animals.
...
Ze zeggen dat er leeuwen op de daken lopen.
Een gigantische wolk in de vorm van een stad
boven wat ooit de stad was.
We gaan rond het zwartgeblakerde puin staan,
stap voor stap schuiven onze voeten, knieën en buik de stenen samen
met as en versmolten lichamen op een hoop.
Eerst vormen we een achthoek, dan een rechthoek, een vierkant
en uiteindelijk een cirkel.
We haken de armen in elkaar, heup aan heup, kop gebogen,
millimeter voor millimeter trekken we de cirkel strakker aan,
tot een klont, opgeboend met onze haren,
compact en zwart tussen ons in.
We duwen de piano voor ons uit. Ze bromt. Overal
bloeden mensen als een veld vol tulpen - er zijn vele soorten
rood, maar nog veel meer vormen
van verdriet. We wachten tot de piano ervan druipt. En weer stolt.
Leeuwen met laaiende manen op de daken.
We slepen de piano achter ons aan onder een wolk
in de vorm van een piano. Eén hartslag vormen we. Dreunend.
...
They say there are lions on the rooftops.
A gigantic cloud shaped like a city
above what was once the city.
We gather round the charred rubble.
One step at a time our feet, knees and bellies slide the ash,
debris and molten bodies together in a pile.
First we form an octagon, then a rectangle, a square
and, finally, a circle.
We link arms, hip to hip, heads bent,
tightening the circle millimetre by millimetre
until it's a lump, polished by our hair,
black and compact between us.
We push the piano along in front of us. It hums. Everywhere
bleeding people like a field of tulips - there are so many kinds
of red, but many more kinds
of sorrow. We wait until the piano is dripping with it. And sets again.
Lions with furious manes on the rooftops.
We drag the piano behind us under a cloud
shaped like a piano. We form a single heartbeat. Pounding.
...
Iemand gooit een roos op het podium
maar het is niet de roos of de hand die gooide
zelfs niet het gooien, maar het vallen
dat niet het vallen is op een holle, houten vloer
maar de ruk van je schouder, kijk naar me, iemand,
gelijk wie, die voor het eerst, die eerste blik.
Terwijl iemand voor het eerst een broek uittrekt in een nieuw huis,
terwijl iemand een jurk over haar hoofd trekt
en ze elkaar nog niet aankijken, nog voor die ruk van de schouders.
Iemand die op de vloer gaat liggen en de ogen sluit,
die ene
die er voorzichtig naast gaat liggen,
dat niet het liggen is op de vloer
maar het vallen, linkerarm achter het hoofd,
trillende oogleden, stokken van de adem, halfopen mond,
opzijvallend hoofd in die kamer met de houten vloer
waar wij ooit, voor het eerst, lig jij nu met open ogen
op je zij.
Een vaas die valt.
Scherven stijgen uit de plas op en versmelten,
water trekt uit het hout weg,
een roos gooit zich met een boog van de vloer weer in de vaas.
...
Someone throws a rose onto the stage
but it is not the rose or the hand that throws it,
nor even the throwing, but the falling,
which is not the falling on a hollow, wooden floor
but the jerk of your shoulder, look at me, someone,
anyone, who for the first, that first look.
While someone takes off his trousers for the first time in a new house,
while someone pulls a dress over her head
and they don't look at each other yet, before that jerk of the shoulder.
Someone who lies down on the floor and closes their eyes,
the one
who cautiously lies down beside them,
which is not the lying on the floor,
but the falling, left arm behind the head,
quivering eyelids, breath catching, half-open mouth,
head falling to one side in that room with the wooden floor
where we once, for the first, you are now lying on your side
with open eyes.
A vase that falls.
Shards rise from the puddle and fuse,
water is drawn out of the wood,
a rose arcs from the floor back into the vase.
...
BLACKHOLE SUN 4.
4.
Als jij niet langer, niet meer
Hier, louter herinneringen, één voor één
Verdampend, en ik altijd overal alleen
Op zoek naar niets, door slapeloosheid verteerd
Omdat ik niet van je wil dromen.
Ik wil niet dat je doet alsof je er nog bent
Niet langer vlees en spieren, geen geile, lome
Glimlach meer, ik ben niet langer wie je hebt gekend,
Je hebt me met je meegenomen. Laat
Het ding dat ik hier ben met rust,
Een ding vol pijn dat leeg moet lopen, doodshaat
Die zichzelf verbrandt, tot ik gezuiverd en gelouterd en -
Zorg goed voor wie ik was. Denk nog één keer aan de kus
Die ik had willen zijn. Vergeet de kus die ik niet langer ben.