Rogi Wieg

Rogi Wieg Poems

1.

The problem with you is
that you're dead,
that you can't hear me
when I read this out, that you can't
see what I see. But what
do you see then? How much insight
do you still have? For insight
is somehow a precondition for
something.

The problem with you is
not that great, it's more
the problem of me.
Being is not aesthetics, but a
presence. Aesthetics is being remembered, ethereal
and deaf you use yourself up in the sunlight,
someone who reads and is young,

without being present. Fare you
well, though the word ‘you' in
this sentence is
quite alien to me.
...

Wat het verstand te boven gaat, gaat boven de hoed,
licht wollige wolk van informatie, enzovoort.
Mijn status is die van een dure, ongehoord
schitterende, naar stront ruikende roos. Moet

ik daarom verdergaan met scheppen?
Niets doen is geentoekomst, zonneschijn innen, vrouwen de rok opjagen,
en langzaam ouder worden, smaller als het scheenbeen
van een dode paddestoel. Ik moet de letters dragen.

Alles wat ik ooit, of nooit, maakte is een blokkendoos
met scheve blokken. Het gaat mijn hoeden te boven
waarom ik, schepper van de bloem, een stinkende roos

aan u overhandig. O schoon, gemoedelijk leven,
ik heb verfijnde, genuanceerde gruwel gemaakt.
Wat mijn verstand ten onder gaat heb ik geschreven.
...

Het regent, de laatste bloemen
laten los, maar de mensen bloeien.

Hölderlin leest even helder,
verduistert dan; gordijnen worden

dichtgetrokken overdag. Deuren sluiten
zonder sleutelgat. Het regent hard.

Toch: wezens denken dat de wereld
beter wordt, vrouwen trekken lippenstift

en geen revolver. Vrouwen baden kinderen,
maar de hemel maakt hun water zwart.

Toch: tijd rolt zich uit om mensen langer
tijd te geven en nu zal Hölderlin wat gniffelen

om de laatste peren. Maar hij heeft ongelijk:
het is zijn waanzin die naar de pijpen danst van as.

Het regent, de laatste bloemen
strooien kindjes op de oude aarde.

En Hölderlin buigt zich over zijn gedicht,
schrapt wat woorden, drinkt en bidt.
...

It's raining, the last flowers let
go, but people blossom.

Hölderlin reads clearly for a bit,
then grows obscure; curtains are

drawn in daytime. Doors close
without keyholes. It rains hard.

Yet: beings think the world is getting
better, women draw lipstick

not revolvers. Women bathe children,
but heaven turns their water black.

Yet: time unfolds to give people
more time and now Hölderlin will snigger a bit

at the last pears. But he's wrong:
it's his madness that dances to the tune of ash.

It's raining, the last flowers
Strew children on the old earth.

And Hölderlin bends over his poem,
deletes some words, drinks and prays.
...

Zeus, als ik oud en ziek zal zijn,
wil ik geen kerststukjes maken.
Laat mij daarom mijn halsslagaders
doorsnijden met een dolk.
Laat mij met rust met de ethos,
de logos en de pathos.
Ik wil niemand overtuigen
van kinderlijkheden.
Ik slijp de dolk zo scherp dat men goed
van kwaad kan scheiden. Voor altijd.
Zeus, laat me jong doodgaan. U bent
oud en bestaat niet, zodat U mij kan helpen.
...

Zeus, when I am old and sick,
I don't want to do Christmas pieces.
So have my carotid arteries
severed with a dagger.
Leave me at peace with the ethos,
the logos and the pathos.
I don't want to convince
anyone of infantile tales.
I'll grind the dagger so sharp so one can separate
good from bad. For ever. Zeus,
let me die young. You're
old and don't exist, so you can help me.
...

Ergens in een vreemd hotel, de dood vinden
als een gevonden voorwerp, nergens, zo vond
men jou. Och, het bestaan is krom als de rug
van een stokoude Vrouwe Justitia - of zeg maar ‘Schepper' -,
die ooit met een kromme rug geboren werd.
Een U-turn misschien zelfs, zo gebogen,
al kom je nooit meer uit waar je begon als kindje.

Je kwam uit bij 2004, zacht april. Begonnen in 1968
in de schoot van mamma Maria, Mamma Theresa,
mamma, in elk geval. En nu? Weet je nu dat er geen
recht is dat langdurig stand kan houden?
Je ademt, boekt een kamer en gaat te jong dood.

Was dan liever uit een hotelraam gevallen als
een wat oudere, beroemde jazz-muzikant.
Dus moge Juan Manuel Fernandez Omez
nog lang op zijn denkbeeldige trompet spelen
in het denkbeeldige hiernamaals van Vrouwe Justitia
- of zeg maar ‘Schepper'. Speel!
...

8.

Somewhere in a strange hotel, meeting your end
like lost property, nowhere, that's how they
found you. Oh, life is as crooked as the back
of an ancient Goddess of Justice - ‘Creator' if you will - who
was once born with a crooked back.
Perhaps even a U-turn, as bent as that,
though you never get back to where you began as a child.

You got to 2004, mild april. Began in 1968 in
the womb of mummy Maria, Mummy Theresa,
mummy, at any rate. And now? Do you know now
there's no law that can last for long?
You breathe, book a room and die too young.

Better if you'd fallen from a hotel window like
an ageing famous jazz musician.
So may Juan Manuel Fernandez Omez
long play his imaginary trumpet
in the imaginary hereafter of the Goddess of Justice -
‘Creator' if you will. Play!
...

Raymond Carver schreef het al. Ik herinner me zijn regels vaag,
ga niet naar links, maar naar rechts. Neem de bocht, ga langs de rivier
en daar bij het huis, dat ene huis, staat de vrouw die van je houdt,
zoiets schreef hij, maar dan anders, al heb ik het onthouden.

Waarom moest hij zo vroeg dood? Er is weinig meer dan wat liefde en kunst
in sommige levens. En als het allemaal niet gaat, als het misloopt, je
wel naar links gaat... Verdomme, waar blíjf ik? De vrouw in het late zonlicht toch?
Neem de bocht, ga langs de rivier, de vrouw in wiens haar het zonlicht schijnt.

Het is daar bij dat ene huis, waar de auto van Carver staat. Ik kan hem
zien achter het stuur, al hangt hij naar voren en ademt hij niet meer in of uit.
...

As Raymond Carver wrote. I vaguely remember his lines,
go right, not left. Take that road and no other, there's a creek on the left
and there in the doorway of that house stands the woman who loves you,
something like that he wrote, but different, though I've remembered it.

Why must he die so young? There's little more than some love and art
in some lives. And if none of it works, if it goes wrong, you
actually go left… Damn it, where am I? The woman in late sunlight then?
Take that road and no other, a creek on the left, she wearing sun in her hair.

It's there by that house that Carver's car stands. I can see
him at the wheel, though he's slumped forward and no longer breathes in or out.
...

Ik ben na 42 jaar een zwaargewonde tijger
zonder strepen, geen tijger meer van William
Blake, geen Goddelijke symmetrie. Overleefd
als een antieke, slechtlopende klok na een

opknapbeurt. Elke handgreep ken ik, maar ik
ben het niet verplicht aan mijzelf mijn strot eens goed
door te snijden. Het wordt niet beter, ik ben een
losgeschoten, rottende knie in een bos, een stuk

heup van niemand, dus hoor ik thuis in een zak
die naar een lab wordt gebracht voor identificatie,
geen naam, een nummer is genoeg. Ik wil geen
geklets over nabestaanden en hun pijn. Het is hun

zaak. Ik plantte een bloembol, er kwam een gekke
tulp uit, deze werd een ijzeren staaf die omboog en
roestte. Zo'n stuk metaal hoort in de grond. Leven
zonder vrouw is rollen van een modderige helling

zonder ledematen, mét een vrouw is klimmen langs
een zandpad, hijgend blijven staan en zien hoe de zee
zich terugtrekt en een bodem met letters, woorden en
regels achterlaat. Geef mijn lijf ooit een plek waar een grijze
vrouw komt en zet er ‘A - Z' op. Doe het zonder twijfel!
...

After 42 years I'm a badly wounded tiger
without stripes, no longer a tiger by William
Blake, no Divine symmetry. Survived
like an antique, badly running clock after

restoration. I know every hold, but I
don't owe it to myself to cut my throat
right through. It doesn't get better, I'm a
dislocated, rotting knee in a wood, a piece of

no one's hip, so I belong in a sack that's
taken to a lab for identification, no
name, a number's enough, I don't want bullshit
about the bereaved and their pain. That's their

business. I planted a bulb, a weird
tulip came out, which became an iron bar that bent and
rusted. A piece of metal like that belongs in the ground. Living
without a woman is rolling down a muddy slope

without limbs, with a woman it's climbing along a
sandy path, pausing and panting and seeing the sea
retreating and leaving a bed full of letters, words and lines
behind. Give my body a place someday where a grey
woman will come and put ‘A-Z' on top. Do it without doubt!
...

Wat het verstand te boven gaat, gaat boven de hoed,
licht wollige wolk van informatie, enzovoort.
Mijn status is die van een dure, ongehoord
schitterende, naar stront ruikende roos. Moet

ik daarom verdergaan met scheppen?
Niets doen is geentoekomst, zonneschijn innen, vrouwen de rok opjagen,
en langzaam ouder worden, smaller als het scheenbeen
van een dode paddestoel. Ik moet de letters dragen.

Alles wat ik ooit, of nooit, maakte is een blokkendoos
met scheve blokken. Het gaat mijn hoeden te boven
waarom ik, schepper van de bloem, een stinkende roos

aan u overhandig. O schoon, gemoedelijk leven,
ik heb verfijnde, genuanceerde gruwel gemaakt.
Wat mijn verstand ten onder gaat heb ik geschreven.
...

Ik vond je ooit, voor je dood, voorover liggend
op je bed. Je droeg een zwart pak en een zwarte hoed.

"Geert is dood!" Nee, je ademde en ik wekte je.
Je vertelde me dat je kleiner zou gaan wonen.

"Is dit huis niet goed? Wat gebeurt er dan met al
je boeken?" Hoe kon ik weten dat jij een urn bedoelde?

Sprak je over een graf? Geen voorlopig onderkomen?
Je zei: "Ga de tuin in om bloemen te plukken."

Je stuurde mij de tuin in om bloemen te plukken.
In het licht deed ik wat je wilde. Bloemen. Voor jou?

Of meer voor alles wat er was gebeurd en wat er zou
gaan gebeuren? Ik heb je vaker bezocht dan men vermoedt,

we hebben elkaar meer gesproken dan men denkt. Ik weet
veel van je, ik ken je liefde en je spijt, je vrezende grootheid.

Ik hield het geheim, zoals je mij geheim hield in dat laatste jaar
voor de anderen. Ik weet niet waarom. Ik was zo onbelangrijk.

Misschien daarom? Maar zo was je niet, want we aten samen
en je zei bezorgd: "Zoek een baan, van dichten kan niemand leven."

Ik zoek geen baan en jij bent ongelooflijk dood. Ooit kwam er een brief
met jouw handschrift van een ander. Een mirakel: je was Geert van Oorschot.
...

I once found you, before your death, face down
on your bed. You wore a black suit and a black hat.

"Geert's dead!" No, you were breathing and I woke you up. You
told me you were moving to a smaller place.

"What's wrong with this house? And what will happen with all
your books?" How was I to know you meant an urn?

Did you mean a grave? Not temporary accommodation? You
said: "Go into the garden and pick flowers."

You sent me into the garden to pick flowers.
In the light I did as you wanted. Flowers. For you?

Or more for all that had happened and what might
happen? I visited you more often than people imagine,

we spoke together more than they think. I know lots
about you, I know your love and regret, your fearful greatness.

I kept it secret, just as you kept me secret from others
in that final year. I don't know why. I was so unimportant.

Perhaps for that reason? But you weren't like that, for we ate together
and you said, concerned: "Look for a job, no one can live on poetry."

I'm not job-hunting and you're incredibly dead. Once a letter came
in your handwriting from someone else. A miracle: you were Geert van Oorschot.
...

Ik moest en zou wat zeggen. In dichtvorm dan.
Jij, in je witte pak, een slanke wolk op aarde,
je schenkt het woord ‘thee' uit een koffiekan;
mama op je schoot. Jij was het die je moeder baarde.

Godslasterlijke tovenaar, vuilspuger van schoonheid,
in miniaturen maakte je een hondendans met schapen,
niet alleen je pen, maar ook je scherp gesneden fallus was het wapen
waarmee je wal- en kokosnoten kraakte. In alle gekheid

was je ‘doodnormaal'.

Zit je in de hel op de derde rang,
dan ben je op je plaats, naast Macbeth.
Nee, híj zit meer vooraan. Lang voortgaan
door de tijd zonder verraad was nooit

deel van je fijngevoeligheid. Wat zou jij
in een eenduidige, blauwe hemel moeten?
Men speelt daar harp op blote voeten,
en streelt er zijn Schone Dochter niet.

Waardig en onderschat dichter. Je ontbreekt me,
als een keuken in een huis zonder keuken.

Ik bezocht je op een avond. Jij vergaf me, ik vergaf je.
Je was al bijna dood, maar deed het op een drafje.
...

I was determined to say something. In poetic form, that is. You,
in your white suit, a slim cloud on earth, you
pour the word ‘tea' from a coffee pot;
mummy on your lap. It was you who bore your mother.

Sacrilegious wizard, vomiter of beauty,
in miniatures you did a dogs' dance with sheep,
not only your pen, but your sharpened phallus too was the weapon
with which you cracked walnuts and coconuts. In all your craziness

you were ‘perfectly normal'.

If you're in hell in the third row,
you're in your rightful place, next to Macbeth. No,
he's nearer the front. Continuing for long through
time was never

part of your sensitivity. What were you supposed to do in
an unambiguous, blue sky? They
play the harp there barefoot, and do not stroke
their Beautiful Daughters.

Dignified and underrated poet, I miss you, like
a kitchen in a house with no kitchen.

I visited you one evening. You forgave me, I you, all wrong. You
were almost dead already, but just jogged along.
...

Alleen wat van je resten
op deze uitvaart, alleen wat bloemen,
en een gemeentelijk dichter, ja, ik.
Ook ik heb het geprobeerd, alleen
niet voor een trein, anders, misschien
minder dodelijk: in die allerlaatste
seconden is nog iets mogelijk, zo deed ik het.

Wat er van je over is, wat men nog kon vinden,
ik praat ertegen als tegen een man
op een station, in een koffiehuis, wat ik zeg
gaat over het einde en dat is zo gewoontjes,
zo dodelijk saai dat ik me bijna schaam,
maar wat te zeggen bij een drama?
Een drama met wat bloemen, ontbrekende
personages. Of personen? Voor mij is dit alles
maar een verhaal: als de volledige werkelijkheid.

Rust. Doe niets anders, vooral geen gekke dingen.
Houd het hierbij en anders zal de natuur
je waarschijnlijk hierbij houden.
...

Only what's left of you
at this funeral, only some flowers, and
a municipal poet, yes, me. I too
have tried, only not under a
train, differently, perhaps less fatally:
in those final
seconds something can still be done, that's how I did it.

What's left of you, what they could still find, I
speak to it as if to a man
at a station, in a café, what I say
concerns the end and that's so ordinary, so
deadly dull that I'm almost ashamed, but
what does one say faced with a drama?
A drama with some flowers, missing
characters. Or people? For me this is all just
a story: like the whole of reality.

Rest. Do nothing else, especially nothing rash.
Keep to this and if not nature will
probably keep you to it.
...

Ik heb geleerd: doodgaan aan het leven
is zo slecht nog niet. De ouderdom
maakt één kleine golfslag te veel
en daar drijf je met gesloten ogen,

na een leven lang. Dan is er een ontbreken
van man, vrouw en kind bij jou,
maar ach, dat is praktisch, of metafysica,
of zelfs romantisch-in-gruwel. Ik laat dit

aspect dus onbespreekbaar: stoppen doe je
toch alleen, zeeman. In de aarde opent
misschien een engel haar vleugels en
maakt zij een diepblauwe zee met juni-zonlicht.

We leven ons leven, we eten ons brood,
en drinken de tijd leeg uit een
ondoorzichtige fles. We drinken tot we
niets meer weten van het lood in onze voeten.
...

The Best Poem Of Rogi Wieg

YOU

The problem with you is
that you're dead,
that you can't hear me
when I read this out, that you can't
see what I see. But what
do you see then? How much insight
do you still have? For insight
is somehow a precondition for
something.

The problem with you is
not that great, it's more
the problem of me.
Being is not aesthetics, but a
presence. Aesthetics is being remembered, ethereal
and deaf you use yourself up in the sunlight,
someone who reads and is young,

without being present. Fare you
well, though the word ‘you' in
this sentence is
quite alien to me.

Rogi Wieg Comments

Close
Error Success