Willem Jan Otten

Willem Jan Otten Poems

Zesenveertig jaar geleden, bellenblazer,
greep het plaats, in de Rivierenbuurt
van Amsterdam, even ten westen van
mijn geheugen: mijn ene geboorte.

Er werd terstond van mij gehouden,
zoals er wordt gehouden van de zeer,
zeer zeldzamen die voor je ogen
ontstaan en dan kleddernaakt zijn.

Ik was van meet af aan van groter waarde
dan ik in mijn eigen ogen worden zou.

Mijn geduldigste gedicht, mijn bondigste zin,
mijn strakste worp in de handschoen van een zoon,
hebben niet vergolden dat ik toen,
die ene keer dat ik geboren werd,

voor de aanwezigen minstens alles was,

de bel die paarlemoer komt aangedreven
door de tuin en niet de adem kent
die blies, niet terug de wind in kan.
...

Forty-six years ago, bubble-blower, the great
event took place, in the river-name district
of Amsterdam, just to the west of
my memory - my one and only birth.

Love was showered upon me right away,
as love is showered on those who are most,
most rare and who emerge before your
very eyes, drenched to their naked skin.

I was deemed from the outset to be worth more
than I would ever be in my own eyes.

My most patient poem, my pithiest sentence,
my swiftest pitch into a son's glove,
have not offset the fact that I then,
on the sole occasion of my birth,

was for those present the world and more besides,

the bubble that mother-of-pearl comes drifting
through the garden and does not know the breath
that blew, cannot turn into the wind.
...

Zij is op reis maar uit de eerste morgen
van ons levenslange leven in één leven
daar kwam uit mijn doezel opgeweld haar arm,
vederduiflichtdalende gevleid op mij.
Ik sliep beslist en iets sprak door mij heen
en zei: je leven is van mij. Maar nu was zij
niet eens in bed, toch sprak het met een stem:
je leven is van mij. Geen juk zo licht
als van degeen die, met haar arm op mij, dit zei.
...

She's journeying but out of the first morning
of our lifelong life into a single life
came welling up out of my doze her arm,
floating feather-dove-light fondly down on me.
I definitely slept and something spoke right through me
saying: your life is mine. But now she was
not even in the bed, though it spoke with one voice:
your life is mine. There is no lighter yoke
than from the one who, arm on me, thus spoke.
...

Liep augustus op zijn einde,
sloot de badmeester de hokjes af,
fietste neuriënd september in.

Niemand was er dan ook bij
dat ik de plank betrad. Ik was
geblinddoekt als een deserteur.

Dit zijn de stappen bang bang bang.
In het Bosbad op de hoge
zweet men het peentje bangverlang.

De zon stond even laag als ik en stond
op punt van zakken in de grond.
Wie mij naar boven had gebracht?

Ach mijn lief. En ik wist: morgen
word ik wakker maar ontkomen
kan ik niet. Uit de schoonspringdroom

ontwaakt men met de schoonspringdroom.
Ik wist: ik maak ze nu dan dus.
De aanstalten. Ik sta precies

zo hoog als nodig om bevreesd te zijn.
Dit is de toegedachte afstand tot
het lussenwevend water doopselzacht.

Het heeft me altijd opgewacht -
maar waarom vrees ik dan ineens het bad
alsof het heel snel leeggelopen is?

Dat zo ik sprong - ik wil, ik wil -
ik vallen zou en niets mij ving?
...

With August drawing to a close,
the bath attendant locked the cubicles,
biked whistling off into September.

So no one was around when I
stepped out onto the board. I was
blindfolded like a deserter.

These are the steps up dread tread dread.
On the high board of the Outdoor Baths
one flirts with the frisson of fear.

The sun was just as low as I and was
about to slowly sink into the ground.
Who had transported me aloft?

Oh dear love. And I knew: tomorrow
I will wake but no escape for me is
possible. From the highdive-dream

one wakes up with the highdive-dream.
I knew: it seems I'm going to go ahead.
The last small moves. I stand precisely

at the height required to feel afraid.
This is the right intended distance to
the loop-looming water, baptismal-soft.

It's always lain in wait for me -
so why abruptly do I fear the pool
as if it rapidly has drained away?

What if I dived like that - I do, I do -
I were to fall and nothing catch me?
...

The Best Poem Of Willem Jan Otten

TOT DE BELLENBLAZER

Zesenveertig jaar geleden, bellenblazer,
greep het plaats, in de Rivierenbuurt
van Amsterdam, even ten westen van
mijn geheugen: mijn ene geboorte.

Er werd terstond van mij gehouden,
zoals er wordt gehouden van de zeer,
zeer zeldzamen die voor je ogen
ontstaan en dan kleddernaakt zijn.

Ik was van meet af aan van groter waarde
dan ik in mijn eigen ogen worden zou.

Mijn geduldigste gedicht, mijn bondigste zin,
mijn strakste worp in de handschoen van een zoon,
hebben niet vergolden dat ik toen,
die ene keer dat ik geboren werd,

voor de aanwezigen minstens alles was,

de bel die paarlemoer komt aangedreven
door de tuin en niet de adem kent
die blies, niet terug de wind in kan.

Willem Jan Otten Comments

Close
Error Success