Diep onder de grond,
waar het daglicht nooit komt,
bewegen mannen als schimmen.
Steenkool worst geboren,
uit eeuwen van druk,
onder hun handen,
in een duisternis die zwaarder weegt als steen.
Het stof,
dat alles bedekt,
hun huid, hun lucht, hun dagen.
Ademhalen wordt een daad van moed,
een gevecht tegen wat onzichtbaar lijkt,
maar onverbiddelijk is.
Harten kloppen op het ritme
van pikhouwelen en machines,
de ademhaling van een wereld die hen niet ziet.
Boven ligt het dorp stil,
de weilanden groener dan herinneringen,
maar hier beneden is het grijs.
Na de dag,
komt de stilte,
en het stof blijft hangen.
In de longen, in de huizen,
in de namen van hen die nooit terugkwamen.
Limburg leeft,
maar onder de grond
bleven de verhalen vast,
als kolen in de aderen van de aarde.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem