Mensen troepten samen
rond kerstbomen in lichterlaaie.
gensters in zwermen
als winterse insecten.
Later die avond nam hij
mijn huis in, veroveraar
uit de stad die zoinder aarzelen
zijn veldtekens plantte,
kamer na kamer na kamer.
Hij troonde me mee
en liet horen welke goden
voorradig waren. Beschermers
van huis, toekomst, tuin.
Er zaten goudfazanten in zijn keel.
Hij liep met zijn hoofd in de wolken.
Ankerde zijn benen in mijn grond.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem