We bouwen een afgrond
met afgewend gezicht, eerst stilletjes,
dan ritmisch als handgeklap, uiteindelijk met open mond - we houden
onze buik vast en vouwen ons dubbel, één rolt al
van het podium af, terwijl de zaal het ritme blijft aangeven,
armen in de lucht, een zee van vlammetjes - lang geleden
dat we ons zo konden laten gaan dat we alles om ons heen
konden vergeten, zo goed dat wij dat samen doen - het lachen gaat over
in gehuil dat nooit meer zal ophouden
en net op dat moment houden we op.
Maar wat zuigt zich in die stilte
uit ogen en uit vloer, plafond en wanden,
warm, kleverig, gulpend, niet te stelpen,
oeroud, kolkend, diep oranjerood,
uit oksels, poriën, ooghoeken, neus, geslacht,
ruisend, lispelend, fezelend,
wat van ons
druipt van ons af
in de vlezige, natte, hete, gladde trechter van de afgrond?
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem