Ik zit gevangen tussen zon en maan.
Tussen de zon van Troje en Achilles
en de maan van: ‘Heb je het koud, lief
vloeien de aders bedaarder en zwaarder?'
De zon boven de stier in de bloedende
arena, de maan van de midzomernachtsdroom.
De zon boven de twistzieke vaandels
de gescandeerde leuzen, de barricades.
De maan van het stilstaande water
van de doodstil loerende snoek
die merkt dat de meeste dieren slapen
maar die niet anders kan doen
dan met spieren gespannen liggen
in zijn schuilhoek; zijn ogen draaien
langzaam naar een eindeloze staar
en zien niets anders meer.
Totdat
in deze rimpelloze, zilvergroene wereld
een prooi langzaam als een glaslichaam
zijn oog in zwemt en zich afvraagt
of dit gevaar verbeelding is of waar.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem