Mijn moeder droeg een paars flanellen jurk,
ik wist niet beter dan dat alles meisjes roze was
en dacht dat het ouder worden de lichtroze luchtigheid verzwaarde met wat donkere volwassenheidslijntjes
maar ik vergiste me deerlijk, mijn moeder was kind
gebleven tot haar vijfenzestigste verjaardag, angstig maar steels knikkebenend als een heel klein zesjarig meisje met X-benen.
Met haar onschuldsogen naar beneden toe geslagen
achter een muur van rook en lucht van bier vanachter
de alledaagse gordijnen der ontkenning.
Dat ze schuldig was aan acht welpjes en een negende ongeborene of op zijn minst dan daaraan medeplichtig
dat maakte mijn moeder altijd al gewichtig.
Ik wilde haar - zelf volwassen geworden tegen wil en dank en ondanks dat - de kans geven haar innovatie in mij als persoon te leren kennen, misschien zoals in een vriendschap of zoals met iemand die nooit meer naar een moeder zocht maar aan haar wel begrip wilde gaan tonen.
Mijn moeder bracht leven in het leven maar was zelf nog maar net halfbakken begonnen er ook maar iets van te brouwen. Haar eerste liefde werd desastreus, in haar ogen bleef mijn vader een reus, een charmeur die alles bereikte men zijn Elvislach.
En sindsdien zijn beide ouders uit hun kalverenliefde een ruwe liefdesdood gestorven en werden nooit meer wie ze waren ooit en wat ze echt samen waren voor elkaar. Misschien dat daar het woord echtscheiding voor is geboren?
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem