Eindelijk laat de onderstroom zijn prooien vrij,
losgerukte drijfbladeren, piepschuim. Ik waad
door borsthoog, schuimend water. Een matras.
Een ijskast. Een schoen als een wiebelend bootje.
Ik zal in de ijskast slapen, drinken uit de schoen.
Ik zal de matras opensnijden, door vel en speklagen heen,
mijn hoofd tot de nek in die muil
om er de schedel uit te rukken.
Zoveel gaat verloren. We duiken
naar waar het water zwart en taai is, mijn schedel en ik,
nieuwe vissoort met longen en ontstellend grote ogen,
op zoek naar een trage, lichtgevende, fluwelige staart.
Diepe, eenzame gezangen die tientallen kilometers ver te voelen zijn.
Waar zullen we het lichaam van Ophelia vinden, in welke wonde
blinkt haar liefde, metalen haak door een lip,
opensperrend tandartsding in de mond alsof ze verbaasd is?
In het water drijven zilveren jurken
die zich weldra het land op slepen en wij alles,
mijn schedel en ik, alles zullen we bevechten
voor de schoonheid van Ophelia.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem