Als ik op jullie in het donker wacht
houd ik een zakdoek aan mijn mond
om mij ervan te vergewissen dat ik bloed
want enkel wie kan bloeden kan ook dromen.
Ik druk het doekje zachtjes aan. Voor wie
heb ik me mooi gemaakt alsof ik ja heb willen zeggen
op een vraag die niemand heeft gesteld; de wereld
is een gat dat warmer wordt naarmate het zich vult
met lichamen. In het duister trilt een telefoon vergeefs.
Hoeveel levens sta ik hier al, handen
in mijn jaszakken, gesloten ogen, alsof iemand in me neuriet.
Alles mogen jullie van me vragen. Trager dan olie
is het wiegen van mijn heupen. Nog trager
druipt mijn jas, die dikste olie, van me af.
Ik was nooit voorheen zo naakt, dat denk ik
als ik achterover buig, zakdoek klevend op mijn lippen. Nooit zo wijd.
Tot mijn hoofd tussen mijn knieën opduikt
en we elkaar eindelijk aankijken
alsof we elkaar willen beademen.
Verblindend licht. Zoveel verlangen -
gegil van meeuwen.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem