Hoop kent geen muren,
geen hekken die haar tegenhouden.
Ze reist op de adem van een wens,
op de blik van iemand die nog durft te dromen.
Ze vindt haar weg door gebarsten aarde,
door stille straten waar voetstappen verdwenen zijn.
Zelfs in de kilte van verlatenheid
brandt ze zacht, onuitgedoofd.
Hoop vraagt geen paspoort,
geen toestemming om te bestaan.
Ze groeit in handen zie zich uitstrekken,
in stemmen die blijven fluisteren:
Morgen komt.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem