Stil glijdt de nacht over velden,
een deken van zilver en schaduw.
De maan hangt zwijgend,
haaar blik koud, maar vol geheimen.
Bomen reiken omhoog,
armen van stilte,
wortels die fluisteren naar de aarde.
De wereld beweegt nauwelijks,
alleen het ritselen van bladeren,
het zachte zuchten van de wind.
Onder haar glans vervagen grenzen,
de lucht raakt het land,
tijd verliest betekenis.
Alles ademt hetzelfde,
alles is even oud, even nieuw.
In haar licht sta ik,
een schim,
een ademtocht in het oneindigheid.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem