Leerzaam als een klein jongetje kruip ik door de mazen van de tegenspraak en vind ik steeds weer schatten. Dat anderen zich onbeschaamd opstellen als executoir testamentair van jouw wezen, door steeds ongegeneerd of uit schaamte, stoerheid of eigen onzekerheid te vragen om legitimatie van je status quo, daarom is de nederigheid dat kind wat steeds wil delen en samen wil spelen, dat het zich zo vaak als groot kindmens onbegrepen voelt komt omdat het in zijn nederigheid verlegen wordt en vaak blijft hangen, gezien men een beetje vals Eenrichtingkje speelt. Toch groeit ook dat kind vlot en voelt zich daardoor gesterkt op de weg waarop het zich bevindt, de weg der genade en mededogen, voor en om en met alles waarin en waarmee het zich dus je je onderweg du moment begeeft. Ik voel me rijk, ik wil begrijpen en zie de geschenken rollen zomaar op mijn pad, ik raap ze op en vol verwondering deel ik het moment.
De mensen die de teerling lijken te moeten werpen of muren opwerpen, werpen alleen een rookgordijn op en wanneer er door dat gordijn een mens komt gekropen begrijpt men die eigen verlegenheid, niet door mij in verlegenheid gebracht maar door de attitude van de goedbedoelde maar vaak luie leegte. Ze begrijpen dat openheid stuit op illusie of maskers en juist daardoor noch sneller bij de persoon zelf is binnengekomen, dat is de angst voor liefde en dat is hun eigen hoge nood.
...
Read full text