De kale takken reiken omhoog,
uitgestrekt als handen naar een hemel die hen niets belooft.
Hun hout is ruw, knoestig, en toch dragen ze een stille smeekbede in zich.
Ze fluisteren niet, ze schreeuwen niet.
Ze wachten, zoals alleen takken dat kunnen.
Ze weten wat ze waren, hoe het voelde om vol leven te zijn, om het groen te dragen dat hen gewicht gaf, betekenis gaf.
Maar nu, nu staan ze bloot,
als naakte herinneringen aan een tijd die voorbij lijkt.
De wind strijkt langs hen, een kil gebaar van onverschilligheid.
Toch weigeren ze te breken,
Ze blijven staan, niet uit trots, maar uit geloof.
Want diep in hun kern, daar waar het leven zich verschuilt, is er een belofte.
Eens zal het weer komen.
Het groen, het ritselen, het zingen van bladeren in de zon.
De takken smeken niet uit wanhoop, maar uit verlangen.
Want zij weten
elke winter draagt al het zaad van de lente.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem