Een kopje met een barst,
achtergelaten op een tafelrand,
het porselein ooit glad,
nu ruw langs vergeten vingers.
De regen wast de stoep schoon,
maar niet de voetstappen
die zonder groet voorbijgingen,
zwaarder dan hun eigen gewicht.
Een naam vervaagt in het stof,
letters halfgewist door tijd
of door onverschillige handen
die nooit stil wilden staan.
De wind verplaatst niet wezenlijks,
slechts kruimels van wat eens was,
achtergelaten,
zoals blikken die nooit terugkeren.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem