Ze zijn niet weg,
maar verborgen in het zachte ruisen van de dagen,
fluisterend in de stilte die zich nestelt
tussen adem en herinnering.
Hun stemmen klinken
in het ritselen van bladeren,
in de geur van oude boeken,
in het licht dat valt op een vergeten foto
die we ooit zo vaak aanraakten.
Ze zweven door kamers,
vermengd met onze adem,
verstrengeld in de stof van het leven
dat ze ooit met ons weefden-
de patronen nog voelbaar,
de daden nog warm.
Ze volgen ons,
niet als schimmen,
maar als woorden zonder taal,
gebaren zonder zicht,
aanwezig in in de leegte die zij achterlieten,
maar ook in de warmte die zij lieten groeien.
En soms, als de nacht stil genoeg is,
horen we hen weer,
in het zachte kloppen van ons hart,
in een stilte die geen einde kent,
fluisterend dat ze nooit echt zijn weggegaan.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem