Slaperig vroeg in de ochtend
zie ik ze de laan
uit fietsen samen, ze gaan
naar het dorp, A en S, mijn dochters.
Als ik tekenen kon
zou je hier nu een prent
zien ontstaan waar ze in
bevroren waren: heel dun
(ze zijn al haast aan het eind,
waar de weg naar het dorp begint)
waait hun haar in de wind
onder een mistige zon.
Nu moet je mij maar geloven
op wat woorden. Kijk, er blinkt
een spaak of een bel. Een lint
van langgerekt licht komt het open-
staande raam ingeschoven.
Ze zijn al achter de bomen.
Maar jij ziet hun haar nog stromen
in je hoofd. Hoor, hun fietsen
ruisen ook achter je ogen.
Ze zijn makkelijk het liefste
wat er in al dit groen
bestaat, A en S. Je ziet ze?
Dan mag je dit vers dichtdoen.
In jouw hoofd vastgelegd
raken ze even niet weg.
...
In the sleepy early morning
I see them as they ride
down the tree-lined track, side by side:
off to the village, A and S, my daughters.
If I was able to draw
you'd see an imprint appear before
your eyes, a picture in
which they'd be frozen: their hair, ever so thin
(they've almost reached the end,
where the road to the village begins),
blowing in the wind
under a misty sun.
Now you'll have to take
a few of my words for it. Look,
the glint of a bell or spoke.
In through the open window slides
a tight-stretched ribbon of light.
They're behind the trees. But you're seeing
their windblown hair still streaming
inside your head. And listen: the sound of their bikes
is whispering behind your eyes.
Of all that exists in this greenery
they're easily the dearest to me:
A and S. Do you see them?
Then you can close this poem.
Set down inside your head
they won't disappear just yet.
...
Waar het plan is gemaakt
dat al voorzag hoe dit grijze
liggende halflicht juist op tijd de
wachtende daken zou bereiken
die het nu aanraakt
van de exact in dit jaar
passende stad: de vermoeide,
zo hoerige doch volmaakte
bocht van de gracht, de beroete
gouden hovaardij van gevels. Wat daar-
van doordringt nog in het traag
kantelende hoofd van de man
beneden je in de straat
met zijn muts van vervilte haren,
drie jassen, een winkelwagen
vol plastic, die ondraaglijk lang
als een waadvogel op één been staat
in de aarzelende eerste sneeuw.
Hoe ook dit volgens plan
al verleden is nu je hand
het laatste kalenderblad omslaat.
...
Wellicht Maria Moreel. Wij zien haar wel.
Ze is te kuis voor woorden in haar lijst
veilig gesteld. Zo van de burgerij,
zo bleek en onbereikbaar welgesteld
dat later iemand haar de naam Sybille
heeft opgelegd. Dat mocht hij willen:
zo mythisch naar Perzië weggedacht
dat niets ons meer toegang tot haar verschaft.
Terwijl zij hier wil zijn. Kijk, haar hand ligt
over de lijst, als in de vensterbank
van een star raam dat plotseling open kan,
na eeuwen wachten, naar dit ogenblik.
...
Maybe Maria Moreel. We see her, at least.
She's held safe in her frame, too chaste
for words. So pale and burgerlijk, so
aloof and distantly well-to-do
that someone later went and gave her
the name of Sibyl. Wished it on her, rather -
thought her to Persia, so mythically far
that we can't reach her any more.
But she just wants to be here. Her hand - see
how it lies over the frame, as if she's been
waiting beside a stiff window that opens
suddenly, centuries later, into this moment.
...
Zeker heb ik jou zo gezocht.
Had in mij een naamloos niets
al haast de vorm van iets
aangenomen dat nog
niet werkelijk jij was maar toch
de klanken van jouw naam
zou hebben als het een taal had.
Hoe had ik kunnen vermoeden
dat je nu voor het raam
exact de gedaante zou aan-
nemen die gepaard gaat
met het hemd dat je aantrekt, het licht
dat feilloos iedere haar
aanraakt om je gezicht
zoals het ook in mij bestaat.
...
I was trying to find you like this, it's true.
And also a nameless nothing
had almost taken the form of something
inside me that wasn't you,
at least not really, and but still
would have the sounds of your name
if it had speech. How
could I have dreamed that now,
before the window, you
would take precisely the shape
which fits in with the slip
you're putting on, with the light
whose rays infallibly strike
every hair framing your face
which exists in me just the same.
...
1
De akkers wit van rijp. Een zware geur van herfst.
Zijn oog plaatst tussen erf en horizon
wat hij als laatste ziet: de haakse sprong
van haas vertaald in sporen; de dode plek
waar nooit iets groeien wilde; het jagerspad
oud als de eeuw van schuur naar sloot; de jonge uilen
verborgen in de boomgaard. Het groot buiten
dat hij levenslang ploegde met de paarden. Als zijn broekzak.
Ochtend. Hij lacht als hij er binnenstapt.
2
Verdwaald in het woonerf dat er nu staat
zoekt hij naar taal. O Heer, hoe moet hij aan
de paarden zeggen dat deze droomstad
hem niet wil doorlaten. Hij moet een plas
bij de wilg die hem kent. Maar die is weg.
Ze vinden hem in hun tuin, de lieve vrouwen
die daar nu wonen. Brengen hem thuis, zijn oude
ogen twee jaar jong. ‘Hij stond bij onze heg.'
Leegte daalt als manna in zijn verstand.
Hij hoort wat hem als kind al is voorzegd:
‘Ik voer u terug naar het beloofde land.'
...
Ik droomde dat je naast me lag vannacht.
Je was al ziek. Je zei: tot in mijn merg
ben ik van dood. Vind je het erg
dat je niet in me kunt? Hou me maar zacht
tegen je aan. Ik zei: je was zo wit
en moe toen ik je zag - en dan onzicht-
baar in een kist waar ik het pad af ging,
de regen en het dorp in. Wachtend gras
lag naast de kuil in zoden opgetast.
Hoe ben je dan weer hier. Je zei: ik wou
nog doen wat ik waarom had nagelaten:
praten met je in bed hoe levens praten.
Maar wat ik nu ben heeft geen taal bij jou.
Er was geen lamp. Hoe ik je dan toch zag.
'k Viel in de droom in slaap. je hield me vast.
Koud bleef de kamer tot ver in de dag.
...
I dreamt that you were lying beside me last night.
You were already sick. You said: I am
of death to the bone. Do you mind you can't come
in me? Just hold me gently close beside
you. I said: when I saw you, you were so white
and tired - and then invisible, hidden from sight
in a coffin where I walked down the path,
into the rain and the village. Waiting grass
lay next to the hole, the turfs stacked in a pile.
How come you're here again? You told me why:
I wanted to do what I'd left undone, to lie
beside you in bed and talk together as life.
But what I am now speaks no language we share.
The light wasn't on. So how could I see you there?
I fell asleep in my dream. While you were hold-
ing me tight. Late in the day, the room was still cold.
...