Willem van Toorn

Willem van Toorn Poems

Slaperig vroeg in de ochtend
zie ik ze de laan
uit fietsen samen, ze gaan
naar het dorp, A en S, mijn dochters.

Als ik tekenen kon
zou je hier nu een prent
zien ontstaan waar ze in
bevroren waren: heel dun
(ze zijn al haast aan het eind,
waar de weg naar het dorp begint)
waait hun haar in de wind
onder een mistige zon.

Nu moet je mij maar geloven
op wat woorden. Kijk, er blinkt
een spaak of een bel. Een lint
van langgerekt licht komt het open-
staande raam ingeschoven.

Ze zijn al achter de bomen.
Maar jij ziet hun haar nog stromen
in je hoofd. Hoor, hun fietsen
ruisen ook achter je ogen.

Ze zijn makkelijk het liefste
wat er in al dit groen
bestaat, A en S. Je ziet ze?
Dan mag je dit vers dichtdoen.

In jouw hoofd vastgelegd
raken ze even niet weg.
...

In the sleepy early morning
I see them as they ride
down the tree-lined track, side by side:
off to the village, A and S, my daughters.

If I was able to draw
you'd see an imprint appear before
your eyes, a picture in
which they'd be frozen: their hair, ever so thin
(they've almost reached the end,
where the road to the village begins),
blowing in the wind
under a misty sun.

Now you'll have to take
a few of my words for it. Look,
the glint of a bell or spoke.
In through the open window slides
a tight-stretched ribbon of light.

They're behind the trees. But you're seeing
their windblown hair still streaming
inside your head. And listen: the sound of their bikes
is whispering behind your eyes.

Of all that exists in this greenery
they're easily the dearest to me:
A and S. Do you see them?
Then you can close this poem.

Set down inside your head
they won't disappear just yet.
...

Waar het plan is gemaakt
dat al voorzag hoe dit grijze
liggende halflicht juist op tijd de
wachtende daken zou bereiken
die het nu aanraakt

van de exact in dit jaar
passende stad: de vermoeide,
zo hoerige doch volmaakte
bocht van de gracht, de beroete
gouden hovaardij van gevels. Wat daar-

van doordringt nog in het traag
kantelende hoofd van de man
beneden je in de straat
met zijn muts van vervilte haren,
drie jassen, een winkelwagen
vol plastic, die ondraaglijk lang
als een waadvogel op één been staat
in de aarzelende eerste sneeuw.

Hoe ook dit volgens plan
al verleden is nu je hand
het laatste kalenderblad omslaat.
...

Wellicht Maria Moreel. Wij zien haar wel.
Ze is te kuis voor woorden in haar lijst
veilig gesteld. Zo van de burgerij,
zo bleek en onbereikbaar welgesteld

dat later iemand haar de naam Sybille
heeft opgelegd. Dat mocht hij willen:
zo mythisch naar Perzië weggedacht
dat niets ons meer toegang tot haar verschaft.

Terwijl zij hier wil zijn. Kijk, haar hand ligt
over de lijst, als in de vensterbank
van een star raam dat plotseling open kan,
na eeuwen wachten, naar dit ogenblik.
...

Maybe Maria Moreel. We see her, at least.
She's held safe in her frame, too chaste
for words. So pale and burgerlijk, so
aloof and distantly well-to-do

that someone later went and gave her
the name of Sibyl. Wished it on her, rather -
thought her to Persia, so mythically far
that we can't reach her any more.

But she just wants to be here. Her hand - see
how it lies over the frame, as if she's been
waiting beside a stiff window that opens
suddenly, centuries later, into this moment.
...

Zeker heb ik jou zo gezocht.
Had in mij een naamloos niets
al haast de vorm van iets
aangenomen dat nog

niet werkelijk jij was maar toch
de klanken van jouw naam
zou hebben als het een taal had.

Hoe had ik kunnen vermoeden
dat je nu voor het raam
exact de gedaante zou aan-
nemen die gepaard gaat

met het hemd dat je aantrekt, het licht
dat feilloos iedere haar
aanraakt om je gezicht
zoals het ook in mij bestaat.
...

I was trying to find you like this, it's true.
And also a nameless nothing
had almost taken the form of something
inside me that wasn't you,

at least not really, and but still
would have the sounds of your name
if it had speech. How

could I have dreamed that now,
before the window, you
would take precisely the shape
which fits in with the slip

you're putting on, with the light
whose rays infallibly strike
every hair framing your face
which exists in me just the same.
...

1

De akkers wit van rijp. Een zware geur van herfst.
Zijn oog plaatst tussen erf en horizon
wat hij als laatste ziet: de haakse sprong
van haas vertaald in sporen; de dode plek

waar nooit iets groeien wilde; het jagerspad
oud als de eeuw van schuur naar sloot; de jonge uilen
verborgen in de boomgaard. Het groot buiten
dat hij levenslang ploegde met de paarden. Als zijn broekzak.
Ochtend. Hij lacht als hij er binnenstapt.


2

Verdwaald in het woonerf dat er nu staat
zoekt hij naar taal. O Heer, hoe moet hij aan
de paarden zeggen dat deze droomstad
hem niet wil doorlaten. Hij moet een plas
bij de wilg die hem kent. Maar die is weg.

Ze vinden hem in hun tuin, de lieve vrouwen
die daar nu wonen. Brengen hem thuis, zijn oude
ogen twee jaar jong. ‘Hij stond bij onze heg.'
Leegte daalt als manna in zijn verstand.

Hij hoort wat hem als kind al is voorzegd:
‘Ik voer u terug naar het beloofde land.'
...

Ik droomde dat je naast me lag vannacht.
Je was al ziek. Je zei: tot in mijn merg
ben ik van dood. Vind je het erg
dat je niet in me kunt? Hou me maar zacht

tegen je aan. Ik zei: je was zo wit
en moe toen ik je zag - en dan onzicht-
baar in een kist waar ik het pad af ging,
de regen en het dorp in. Wachtend gras

lag naast de kuil in zoden opgetast.
Hoe ben je dan weer hier. Je zei: ik wou
nog doen wat ik waarom had nagelaten:
praten met je in bed hoe levens praten.
Maar wat ik nu ben heeft geen taal bij jou.

Er was geen lamp. Hoe ik je dan toch zag.
'k Viel in de droom in slaap. je hield me vast.
Koud bleef de kamer tot ver in de dag.
...

I dreamt that you were lying beside me last night.
You were already sick. You said: I am
of death to the bone. Do you mind you can't come
in me? Just hold me gently close beside

you. I said: when I saw you, you were so white
and tired - and then invisible, hidden from sight
in a coffin where I walked down the path,
into the rain and the village. Waiting grass

lay next to the hole, the turfs stacked in a pile.
How come you're here again? You told me why:
I wanted to do what I'd left undone, to lie
beside you in bed and talk together as life.
But what I am now speaks no language we share.

The light wasn't on. So how could I see you there?
I fell asleep in my dream. While you were hold-
ing me tight. Late in the day, the room was still cold.
...

‘Als u hier wilt ontsnappen aan de dood,
gast, hoveling, denk dan voor u begint
aan de Griek Theseus, loop niet roekeloos
zo maar een pad in van het labyrint.

Wapen u met goed garen, vastgeknoopt
bij de ingang, wikkel het af en vind
de weg terug uit de kern, liefdes eiland.'

Wat was daar dan? Afgewaaid blad. Een bank
met leeuwepoten, zwart van vocht. Al lang
geen spoor meer van je lichte meisjeslach.

De terugweg. Echo's. Bij elk nieuw
kruispunt je tergend vluchten voor mij uit:
een voet, plooi van je rok over je knie,
flits van je waaiend haar, reddeloos weg.

Met spiegels doen ze het. Hoe komt dit web
van draden hier. En was dit wel mijn pad?
Irrgarten. Dooltuin. Wie jou zoekt wordt gek.
...

‘If here, o courtier, guest, you wish to escape
from death, think a little before you begin
of Theseus the Greek: don't walk recklessly in,
don't take just any path when you enter this maze.

Arm yourself with good thread, tied
fast beside the entrance, unwind it and find
your way back from the core, love's island.'

So what was there? Fallen leaves. A lion-
footed bench, black with damp. All trace
of your light girlish laughter long effaced.

The way back. Echoes. At every crossing
you tantalisingly slip away from me:
a foot, fold of your skirt over your knee,
swirl of your hair, irrevocably fled.

They do it with mirrors. How come this web of threads
here? And was this my path? Irrgarten: maze,
crazy garden. Who seeks you here must be mad.
...

Languit ben je de heuvels
geworden hier, de bruine
hellingen met stoppels van struiken,
de gladgewaaide breuken

in je voorhoofd van grijze steen.
Een okeren dorp in je wang.
De olijfgaard in je handpalm
groeit over je vingers heen.

Nu is het een warm seizoen
boven je voeten. Pluizige
wolken dragen koelte
aan voor de avond. Koerend
verbergen slaperige duiven
zich in de rand van je haar.

Als de regen komt deze winter
gaat je oog langzaam open:
een klare vijver in de droge
kom van de zomer. Kinderen
spelend voorovergebogen
kijken in je binnen.

Wat een verbaasd landschap. Vast
had je zelf ook niet gedacht
dat je zo stil was.
...

Sprawled flat on your back
you've become the hills, the banks
of scrub and stubbly brown
here, the wind-smoothed cracks

in your forehead of greyish stone.
On your cheek an ochre village.
In your palm an olive grove
grows over your fingers.

Now the season is hot
above your feet. The fleecy
clouds will soon be cooling
the evening. Sleepily cooing
doves make their cot
in the eaves of your hair.

When the rains come this winter, your eye
slowly opens: a clear
pool in summer's dry
bowl. Children lean
over your lids and peer
playfully inside.

What an amazed landscape. Not
even you, I bet, could have thought
that you would be so quiet.
...

Verglaasde lagen tijd achter elkaar,
troebel van afstand zodat ik meer vermoed
dan zie: wegglippen van je voet
achter groen langs het pad, je haar
opgaand in gouden herfstdraden. Er moet
een hoek zijn die dit voorgoed leesbaar maakt.

Op deze foto's nu nog tergend vaag:
De Belvédère. Op de Zwanenbrug.
Van Lorentz tot de Grote Waterval
plekken vergaard. Maar ieder beeld wijkt terug
in dubbele onleesbaarheid. Er valt
geen leven te ontwaren in zoveel sepia.

Ik moet iets met mijn blik doen. Als ik staar
zonder verwachting klikt het op zijn plaats.
Diepte. Het peilloos park haarscherp. Je staat
bij het Paviljoen. Voeten kuis naast elkaar.
Zes zilveren knopen op je winterjas.
Je bontmuts op, een ernstig klein gelaat
daaronder. Je handen op je rug.

Uitstapje van voor haast tachtig jaar.
Ik zie het kind dat toen al in zich droeg
wat het niet kon vermoeden: het grote
meisje, de vrouw, de bruid, de moeder
die het zou worden. Adembenemend vergroot
zie ik de glimlach komen die je pas
weer had in de seconden voor je dood.
...

Layer after layer of vitrified time,
misted dim with distance so that I'm
surmising more than I see: your foot must be there,
hiding behind the plants by the path, your hair
blending with golden threads of autumn. But where
's the angle from which this can be read for sure?

In photos still tantalisingly unclear:
On the Bridge of Swans. The Belvedere.
Assembled places, from Lorentz to the Great
Falls. But all the images retreat
in double illegibility. Here, between
all this sepia, there's no life to be seen.

Maybe I need to change the way I gaze.
If I stare without expectation, it clicks into place.
Depth. Pin-sharp - the fathomless park.
Feet chastely together, you stand beside
the Pavilion. Six silver buttons shine
on your winter coat. A serious little face
beneath your fur hat. Your hands at your back.

Excursion, almost eighty years before.
I see the child who in her already bore
what she couldn't imagine: the big girl
the young woman, the bride, the mother, all
she would be. So enlarged it takes my breath
away, I see the smile coming which you'll
not have again till seconds before your death.
...

Opdat je nooit vergaat
doe ik je in het gedicht:
hoe je loopt, hoe je ligt,
hoe je lichaam tegen me praat.

Eeuwen hiervandaan
leest een levende het wellicht -
aandachtig gebogen gezicht
boven de woorden. Ik dicht
je dat het gedrukt staat.
...

So you may never pass from sight
inside the poem I hold you tight -
the way you walk, the way you lie,
the way your body speaks to me.

In centuries still to be
a face alive and reading might
be bending, the better to see,
over the poem, the words I write
to put you down in black and white.
...

The Best Poem Of Willem van Toorn

TWEE DOCHTERS

Slaperig vroeg in de ochtend
zie ik ze de laan
uit fietsen samen, ze gaan
naar het dorp, A en S, mijn dochters.

Als ik tekenen kon
zou je hier nu een prent
zien ontstaan waar ze in
bevroren waren: heel dun
(ze zijn al haast aan het eind,
waar de weg naar het dorp begint)
waait hun haar in de wind
onder een mistige zon.

Nu moet je mij maar geloven
op wat woorden. Kijk, er blinkt
een spaak of een bel. Een lint
van langgerekt licht komt het open-
staande raam ingeschoven.

Ze zijn al achter de bomen.
Maar jij ziet hun haar nog stromen
in je hoofd. Hoor, hun fietsen
ruisen ook achter je ogen.

Ze zijn makkelijk het liefste
wat er in al dit groen
bestaat, A en S. Je ziet ze?
Dan mag je dit vers dichtdoen.

In jouw hoofd vastgelegd
raken ze even niet weg.

Willem van Toorn Comments

Close
Error Success