De zee kan het niet helpen,
in weeën komt haar drift;
voor haar opwelling wijkt hij,
haar bedenking beent hij na.
Van zijn bestaan verschijnt
het vluchtig spijkerschrift,
in scheve aanloopregels,
bijna kwatrijnen.
En door haar plompverloren dweilen
worden zij weggewist.
leder spoor van zijn gedribbel
moet verdwijnen, of hij zich in
de drang om voort te leven
zonder nadruk had vergist.
...
The sea can't help it,
her passion is like labour;
he backs off from her outbursts,
pursues her second thoughts.
He leaves of his existence
the fleeting cuneiform,
in crooked running lines,
nearly quatrains.
And by her forthright mopping
they are wiped out.
All traces of his scampering
must disappear, as if his instinct
to live on, unemphatically
got it wrong.
...
Hoe konden ze blijven geloven
dat op maar één nacht ijs
piano en bed kunnen staan;
niet dat ze zweven, ze komen
de dag in als hun kamer,
zien al het nieuws, gaan op reis
en bleven wat anderen waren,
eenden op één nacht ijs.
...
How could they go on believing
that on ice, that was formed overnight,
piano and bed would hold;
not that they float, they enter
the day like their room,
watch the news, take a trip
and continue like others before them,
ducks on overnight ice.
...
Ik had een baai alleen, de lage rotsen
brokkelden verder in de oceaan.
Het werd witheet. Er kwamen kudden
bruine koeien tot hun buiken
in het spiegelende water staan.
Het gaat me niet om de idylle
maar oud en kuiser was de aarde.
Dit zou ik nooit meer zien, alleen
wie was het die dit zag. Hoe wil het
uit zijn pen: maandag, dinsdag
zijn niet dodelijk, het heimwee naar
het diep verrukte ik is overkomelijk.
Of ik om te kalmeren ben.
...
I had a bay all to myself, the low rocks
crumbled more into the sea.
It turned white-hot. Herds of brown
cows came, stood up to their bellies
in the shining water.
It's not because it was idyllic,
the earth was old, though, and more chaste.
This I would never see again, but
who was it who saw this. And how
to write it down: Monday and Tuesday
are not deadly, the yearning for
that deep-enchanted I can be subdued.
As if I can be soothed.
...
Zij duwt ze in een opdracht
waarin ze zich meteen verwarren;
haar moeheid groeit, terwijl
ze hun gezichten ziet verstarren.
Het zal berusten op een zeer
exacte wet.
Niet hiervoor zijn ze uit
een Berberdorp gehaald en op
het vrolijk boekenhoekje naast
de cavia gezet.
Aanspreekbaar waren zij
zojuist nog op de stoep.
Nu zitten zij in een leeg zand,
een uitgespaarde stilte
in het landschap van de groep.
Zij volgt een cursus
om het oergeduld waarmee de stenen
spreken snel op te doen.
Ook dat vereist
dit Babylonische beroep.
...
She gives them an assignment,
and immediately they get lost;
her tiredness increases while
she sees their eyes glaze over.
There's probably a law
that governs things like that.
For this they were not taken
from a Berber settlement
and put in a bright reading-nook
beside the guinea pig.
You could still talk to them
at the entrance of the school.
Now they sit on the barren sand,
an emptiness of silence,
in the landscape of the group.
She takes an evening course
so she can quickly learn
the patient speech of stones.
This Babylonian job
requires that too.
...
Laat mij niet achter in geluid
gooi mij niet voor de beelden
de dagen korten en de regen
zal mij lang binnen houden.
Geef mij die dagen en hun dingen.
Ik ben eenvoudig. Praat,
laat mij de borden halen
de kopjes drogen of ze breken
in mijn ijver en versta
waarom ik mij herhaal
altijd dezelfde vragen stel
wanneer hoe gauw hoe laat
is die of die er weer, mijn angst
erom benut mijn leven,
de flarden van mijn taal.
...
Do not leave me behind in sound,
don't make me watch the images,
the days are getting shorter and the rain
will keep me long inside.
Give me those days, their things.
I am a simple girl. Talk,
let me get the plates
and dry or break the dishes
in my zeal and understand
why I repeat myself
ask the same questions endlessly
when or how soon what time
will so-and-so be back, these terrors
utilize my life
the tatters of my language.
...
Hun grote liederen gaan in mineur.
Over hun stukgeslagen instrumenten
kun je niet schrijven. En niet
over hun lege groene valleien
goed voor duizenden schapen
onbegaanbaar door mijnen
die geen sterveling op zal graven
niet over hun holen en halve dorpen
hun gruzelementen en gaten.
Hun grote liederen staan in mineur.
Die ken je. Je pen ligt op tafel.
Weer heb je het hart er af te blijven
de avond de avond te laten.
...
Their great songs are all set in minor.
About their broken instruments
you cannot write. Or about
their empty green valleys
good for thousands of sheep
impassable because of landmines
that nobody will ever dig up
or about their burrows, half villages,
their smithereens and their holes.
Their great songs are all set in minor.
You know them. There lies your pen.
Again you have the heart not to touch it
to leave the evening the evening.
...
Wat maakt het uit of hij bestaat,
je slaapt half wakend maar je slaapt
tenslotte heen door de visioenen
van net nog dichtgegooide kuilen
en afgeladen kleine boten
die een breed water oversteken
van stapels nodeloze benen
en hoge zwarte hopen schoenen
op een terrein waar niemand is,
van kwaad waaraan je bent ontkomen
en dat je bitter nodig heeft
om het met hart en ziel te doen.
...
What difference does it make if he exists,
you sleep, half waking, yet you sleep
eventually through the visions
of pits that were just covered up
and little boats, chock-full
that cross wide waters
of piles of needless legs
and high black heaps of shoes
at some deserted site,
of evil that you have escaped
which needs you bitterly
to do it heart and soul.
...
De meelezer, is dat niet
het wezen dat in je wil huizen
dat bij je binnen kan
de laden licht in je slaap
stil meekijkt over je schouder
en bij je te zware woorden
een hand voor ogen slaat
die je liefde kouder wil
je doodsangst afgewogen
je beelden vreemder of vager
het drama onuitgesproken,
een zorgzame heilige geest
die je naar het leven staat?
...
The silent reader, is he not
the one who wants to live in you
can enter you
empties the drawers while you sleep
who looks over your shoulder, quietly,
covers his face
at your too solemn words
who wants your love cooled down
your fear of death more balanced
your images more vague or weirder
the drama more implied,
a caring holy ghost
who is after your life?
...
Voorbij de derde bank houd ik mij drijvend,
flauw watertrappend en niet moe.
Er loopt een deining, hoog en sloom,
waarop wat vogels stijgen en verdwijnen.
Weer boven zie ik uit een golftop om.
Er ligt geen strand. Er schemert kust
met hier en daar een licht. Ik daal.
De schouderophaal van mijn zee duurt lang,
de onverschilligheid is traag
als zomer. Vraag, de stilte, wedervraag.
Ik kom in dat gesprek niet voor,
ga er aan onderdoor en voel de trek,
deksel, plank, lamp in schuimend dal,
van iets geweest, voor iets genomen.
Ver van mijn kleren aan het land gekomen.
Ik trek ze aan. Narillend van te veel heelal.
...
Past the third bank I start to float,
not tired, faintly treading water.
There is a swell, tall and lethargic,
on which some birds rise up and disappear.
On top again, I look behind me from a crest.
There is no beach. A glimmering of coast,
with here and there a light. And I go down.
The shoulder-shrugging of my sea lasts long,
with slow indifference, like the summer.
A question, silence, then a counter-question.
I do not figure in this conversation,
I go down under, feel the pull,
lid, plank, lamp, in a foaming valley,
once part of something, taken for something.
Far from my clothes I come ashore. I dress -
still shivering: too much cosmos.
...
Wanneer zij tekens gaan verbinden
met dingen die ze hebben, pop en lip,
of kennen, man en lam, zie ik
hoe ernstig ze verzinken
in de veeleisende roman: Ans eet.
Eet Kees?
Vruchteloos zoek ik het moment
waarop datzelfde mij is overkomen,
geluk of ramp van de belezenheid.
Ik weer niet of het nam of gaf.
Ik denk dat ik zolang ik leef
verliefd, bedrogen en geletterd
ben geweest.
...
When they start to connect the signs
with things that they possess, doll, lip
or know, man, lamb, I see
how solemnly they are absorbed
in the exacting tale: Ann eats.
How about John?
In vain I look back for the moment
when this happened to me
the rapture or disaster of literacy.
I don't know if it took
or gave. I have been all my life,
I think, in love, betrayed
and literate.
...
THE SANDERLING
De zee kan het niet helpen,
in weeën komt haar drift;
voor haar opwelling wijkt hij,
haar bedenking beent hij na.
Van zijn bestaan verschijnt
het vluchtig spijkerschrift,
in scheve aanloopregels,
bijna kwatrijnen.
En door haar plompverloren dweilen
worden zij weggewist.
leder spoor van zijn gedribbel
moet verdwijnen, of hij zich in
de drang om voort te leven
zonder nadruk had vergist.