De horizon was mijn kompas,
de wind mijn metgezel,
golven droegen mijn dagen,
de zee sprak in stilte.
Mijn handen voelden touw en staal,
het dek onder mijn voeten zong verhalen
van verre havens,
van onbekende kusten.
De nachten waren sterren die fluisterden,
de lucht een eindeloos dak,
het water een spiegel van wie ik was,
zoekend, varend, wacht houdend.
Kameraadschap was ons anker,
stilte onze kracht,
de dagen zonder land
gaven ons tijd om te dromen.
Ik was een matroos,
een zoon van de wind,
een schaduw op het water,
de golven van mijn verleden.
En toch, zelfs nu aan land,
voel ik de zee in mij,
als een stem in de verte
die nooit zal verstommen.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem