Water stort neer, onophoudelijk,
een muur van ruis tussen ons in.
Ik zie je staan, vlakbij en toch onbereikbaar,
je lippen bewegen, maar de woorden verdrinken
Ik reik uit, mijn hand breekt het water,
maar het vindt zichzelf steeds opnieuw,
slechts geen afstand, laat ons apart.
Soms denk ik dat het zal stoppen,
dat de stroom zal opdrogen,
dat stilte ons zal omarmen,
maar altijd blijft het vallen,
altijd blijft het bruisen.
En wij,
wij blijven staan,
elk aan onze eigen oever,
kijkend, wachtend,
tot iets sterker dan water
ons oversteken laat.
This poem has not been translated into any other language yet.
I would like to translate this poem